Rust, traditie en vakmanschap.
Rust, traditie en vakmanschap. (Foto: (Foto Museum Grietje Tump)))
Landsmeer 700

Knippen en scheren in de knusse kapsalon van Dirk Moes

Landsmeer 700

LANDSMEER - Een kleine, ouderwetse herenkapsalon, zoals die van Dirk Moes (1914-1980) en Augusta Moes-Kemka (1917-20020, was een knusse, intieme ruimte, waar ambacht, nostalgie en persoonlijke aandacht voorop stonden.

Het was een plek waar mannen bijpraatten, kranten lazen en discussieerden over het lokale nieuws. Bij zo’n ouderwetse herenkapper draaide alles om rust, traditie en vakmanschap. De klassieke kappersstoelen van chroom en leer, de spiegels met houten lijsten en de geur van haarwater en scheerzeep waren kenmerkend voor de ouderwetse kapperszaak.

Dirk Moes kwam uit een middenstandsfamilie die zich vestigde in de Zaanstreek. Hij had twee broers; de een was aannemer en de ander hoteleigenaar. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog leerde hij Augusta Kemka kennen. Zij kwam uit Duitsland en werkte in Amsterdam in de huishouding. Dirk en Augusta trouwden in het begin van de oorlog. Augusta kreeg een vrijstelling, waardoor ze niet naar Duitsland terug hoefde.

Later, na de oorlog, kochten ze het café met woonhuis van Siem van der Meer aan de van Beekstraat 1, waar Dirk een herenkapperszaak begon. In die tijd kon dat, zonder diploma en zonder vergunning. Vóór was de winkel, daar werden rookartikelen verkocht, en achter was de herensalon.

In de zaak van Dirk Moes stonden twee stoelen. Zodra een klant in de stoel zat, begon het vaste ritueel. Eerst werd de witte katoenen kapmantel met een zwaai omgehangen, waarna Moes met een fijne kam en een scherpe schaar aan het werk ging. Met een tondeuse schoor hij de laatste haartjes in de neklijn weg en pakte een grote, zachte kwast om de losse haren van de kapmantel en de schouders weg te vegen. Daarna kwam er nog wat talkpoeder over de nek van de klant, om de huid te kalmeren.

Tijdens het scheren toonde Moes zijn echte vakmanschap. Nadat het knippen klaar was, werd de stoel een standje achterover gezet, zodat de klant ontspannen naar achteren kon leunen. Moes pakte de ronde scheerkwast en klopte in een tinnen bakje de zeep op tot een dik, wit schuim. Met langzame, draaiende bewegingen werd de huid ingesopt.

Het open scheermes werd nog even geslepen aan een leren riem en met korte, trefzekere halen gleed het mes over de wangen en de kin van de klant, waarbij Moes met zijn vrije hand de huid strak trok. Als laatste werd de huid gedept met een koude, vochtige handdoek om de poriën te sluiten. Daarna wreef Moes de aluinsteen over het pas geschoren gezicht om kleine scheerwondjes te stelpen, gevolgd door een flinke klets geurige eau de cologne, die even kort prikte, maar daarna lekker fris rook.

De klant stond op, veegde de laatste, losse haartjes van zijn broekspijpen en liep naar de houten toonbank. Daar opende Moes de zware, metalen kassa, die met een luide ‘ping’ opensprong. De klant legde zijn geld neer, groette en verliet de zaak met een fris gezicht.

De vader van Grietje Tump liet zich iedere zaterdag scheren. Kosten: 65 cent. Dat is nooit verhoogd. Moes vroeg er niet om en Tump vroeg er niet naar. Met de komst van warm stromend water veranderde het woonhuis in een damessalon met een doorgang naar de winkel.

In 1958 werd een nieuw winkelpand geopend aan de overkant in de Van Beekstraat op nummer 2, met links de heren- en rechts de damessalon en de winkel in het midden. Daar kon je een flesje eau de cologne laten vullen en er waren luxe artikelen te vinden, zoals doosjes pommade, haarnetjes en haarpinnen, luxe borstels, kleine sieraden als zoals kettingen van bergkristal, pareltjes en broches. De oude winkel op nummer 1 werd verhuurd aan de firma Veen in manufacturen.

Toen zoon Dik zestien jaar was, moest hij ook leren knippen en in de avond een opleiding volgen. Een diploma halen was toen verplicht. Op woensdagmiddag was het ‘kinderen knippen’. Dat was geen pretje, maar moest toch gebeuren. Voor veel kinderen was de grote stoel een beetje eng en de zoemende tondeuse een vreselijk ding. De kleintjes hadden een verhoginkje nodig en terwijl Dik met vaste hand vlak langs de oren knipte, keken ze met grote ogen naar hun eigen spiegelbeeld.

Dirk Moes had connecties met de firma Hegron en achter het huis zijn ze toen een fabriekje begonnen in shampoo en kappersbenodigdheden. Het merk wat ze voerden was Hegron en het ging steeds beter.

Later kochten ze het naastgelegen eierpakhuis van Bernard Goede, omdat de schuur achter het huis te klein werd, en daarna het pand van buurman Woelders. Ze hadden al personeel en zoon Dik nam de zaak over. Ook namen ze de firma Boldoot en 4711 over. Later verhuisde Hegron naar Purmerend. Drie generaties zitten nu in deze zaak en de vierde generatie is net geboren.

De familie Moes heeft veel bereikt met keihard werken en altijd hadden ze iets over voor de medemens. Er werden onder andere, bij een uitje of een bijeenkomst van de ‘Zonnebloem’, tassen met lekkere luchtjes of andere cosmetica geschonken. Augusta deed de boekhouding en was zeer zakelijk. Zoon Dik is trots op zijn moeder. Zij was de spil. Door haar is de zaak groot geworden.

 

Sonja Duba en Frans Poulain

 

Naamkaartje D.G. Moes, van Beekstraat 2 Landsmeer