Afbeelding
(Foto: aangeleverd)

Horende doof en ziende blind

Sommige mensen zijn blind, hartstikke blind, kunnen echt niets zien, maar leren kijken middels andere zintuigen, bijvoorbeeld voelen met hun handen, hebben een goed gehoor of beschikken over een goede reuk.

Vaak hebben deze mensen nog een hond die hen helpt te manoeuvreren door het verkeer of om te voorkomen dat men ergens over valt. Ze kunnen ook nog een witte stok bij zich dragen met rode strepen, hier tasten ze de grond mee af. Altijd dragen ze een zonnebril omdat ze wel ogen hebben maar deze ‘kijken’ anders, laten we zeggen, het ‘oogt’ niet. Uiterlijke zelfbescherming.

Schat van een man

Goed, dit is een groot intro om aan te geven dat er ook mensen bestaan die ‘ziende’ blind kunnen zijn. Vooral sommige mannen. Zo’n man heb ik. Laten we voor op stellen dat het een ‘schat’ van een man is. Maar hij kan mij soms ook wel eens zulke verwijten maken waar ik part noch deel aan heb. Inmiddels ben ik ‘horende’ doof. Ik heb geen zin meer om dat gezeur aan te horen!

Schilder

Laatst hadden we de schilder over de vloer en deze man had de deuren van een nieuwe verflaag voorzien. Voordat dit ging gebeuren moesten eerst alle klinken van de deuren af. Alles lag op een hoop op het aanrecht, maar zo, dat hij het weer kon terugvinden. Ik durfde hier echt niet aan te komen. Ik wist uit ervaring hoe dit ging aflopen dus ik was gewaarschuwd!

Schroeven

De deuren waren droog en de klinken konden er weer op gezet worden. Alles ging goed, totdat het vastgeschroefd moest worden en wat denk je, juist, de schroeven weg. En wie kreeg de schuld? Moi, want ik ruimde alles op en ik gooide alles weg en ik moest er vanaf blijven en nu moest hij weer op zoek naar andere schroeven. En zo raasde hij maar door!

Ik had het weer gedaan

Ondertussen tilde ik heel voorzichtig alles op, wat op het aanrecht stond en ja hoor, onder het dienblad, daar lagen ze, wachtend om er weer ingedraaid te worden. Hij had ze zelf daar neergelegd omdat hij bang was dat ze in de gootsteen zouden belandden en dan weggespoeld zouden worden. Maar ik had het weer gedaan, ik moest altijd alles verplaatsen!

Jassen

Een dag later, weer gezeur, alle jassen lagen in de huiskamer want deze konden nog wel eens stoffig worden door het afschuren van de deuren in de gang. ’s Avonds was alles bijna droog en de jassen konden weer veilig teruggehangen worden aan de kapstok. Hij deed dat wel even. Dezelfde avond begon zijn bloed te kriebelen en wilde hij zijn eerste biertje halen bij een vriend, kermis indrinken. Het was koud maar ging op de fiets. Verstandig want ik was niet van plan om hem op te halen. Hij moest dus een jas aan. Een bepaalde jas en deze hing er niet meer, althans dat concludeerde hij.

Anders gehangen

Ik had alles vast weer op andere hangertjes gehangen en sommige jassen had ik ook weer over elkaar heen gehangen en dat moest niet want zo kon hij die jas nooit vinden. Al zoekend verweet hij mij dit. Ondertussen zag ik de desbetreffende jas wel drie keer, met andere jassen, door zijn handen gaan. Ik hield mijn mond stijf dicht. Hij werd er niet vrolijker op.

Conclusie

Zwijgzaam pakte ik de jassen één voor één van de kapstok en zie daar, daar was de jas. “Jij moet ook altijd alles verhangen!”, mopperde hij weer. Gelukkig ben ik ‘horende doof’ en hij is ‘ziende blind!’.