‘Uitgerangeerd’

Vroeg of laat zeggen je kinderen, goedbedoeld uiteraard: blijf maar zitten pa, het is te zwaar voor je, wij doen het wel. En daarmee zit je terwijl je ze transpirerend over het tegelpaadje voorbij ziet lopen met zakken overgebleven of afgedragen zomerkleding. Je bent verworden tot toeschouwer, maar dan wel zonder betaling van toegang. Je probeert het nog een keertje: ‘Zal ik toch maar niet meehelpen?’ Maar het wordt weggewoven. Na verloop van tijd, als je bent gaan lezen in een spannend boek: ‘Hé pa, misschien wil je wel ff koffiezetten voor ons, thee mag ook. Een broodje met beleg er misschien bij, zou ook lekker zijn.’ Kijk, voor je het weet zit je in de ‘horeca’. Maar ja, dat is pas vroeg of laat…

Het is zover… laat. Net als bij voetbal: het is buitenspel. Met een beetje mazzel plaatsnemen op de reservebank, waarop een dikke klodder high tack lijm is gesmeerd. Je hebt het niet in de gaten, maar pas bij opstaan en weglopen merk je het: ‘uitgerangeerd’. Naarmate je ouder wordt, waar ik geen moeite mee heb, weet je dat er een moment komt om een stap dan wel een aantal stappen terug te doen. Op zich een logisch gevolg ervan. Maar met het intreden van veroudering die gepaard gaat met fysieke veranderingen, ontstaat er ook een te veel negatief beeld: ondanks de verminderde spierkracht, botartrose, minder goed zicht of gehoor (hè, wat zeg je), kan een ouder mens nog waardevol zijn voor de maatschappij. Let maar op.

‘Een ouder mens kan nog waardevol zijn‘

‘Hé pa, even een vraagje. Kun jij een brief voor me schrijven of je licht laten schijnen op een vervelende zaak die ik heb met de Belastingdienst? Jij bent daar toch goed in.’ Alleen al het woordje “toch”… Later op een avond een telefoontje. ‘Hoi pa. Alles oké. Ik heb even een verzoek. Kun jij me helpen om een ten onrechte gekregen boete, in mijn ogen dan, terug te krijgen? Voor jou kost dat geen moeite, toch?’

Ja ja, met veroudering komen steeds meer verzoekjes en vragen binnen. Per telefoon of per WhatsApp. Vader neemt toch wel op en zit altijd op z’n mobiel. Toe maar. De kinderen hoeven toch geen aandacht meer… of wel?