En dan mag ik ook even ...

  Nieuws
Merel Kan (Foto: Anjo Kan)
Merel Kan (Foto: Anjo Kan) (rodi.nl)

Eens in de zoveel tijd heeft een maand vijf weken. En dan is er plaats voor een gastcolumnist. Deze keer is dat Merel Kan.

Tinie

In de Zaandamse Schildersbuurt groeide ik op in het gezelschap van een dominante kip die zelfmoord probeerde te plegen in Oostzaan. In 1984 runde mijn tante in het kippendorp 'De Stijfselmakersschuur'; een creativiteitscentrum waar mijn moeder regelmatig hielp. Toen ze op een dag het pad waaraan de schuur lag afliep, zag ze aan de overkant een vlezig wit kuiken staan. Het keek naar links en naar rechts, en wandelde de straat van de Kerkbuurt op, precies toen er een auto aan kwam. De automobilist wist het te ontwijken, en miste daarbij mijn moeder op een haar na. Het kuiken verblikte niet, maar wachtte op de volgende auto voordat ze weer een stapje naar voren zette. Deze auto stopte met piepende remmen, de bestuurder stapte uit en het beest kreeg een trap onder de kont, richting stoep. Ze belandde naast mijn moeder die het gehad had met het opgefokte kuiken dat zich alweer klaarmaakte om de weg op te stormen. Ze pakte het op, en overwoog even het over het hek van de kippenslachterij aan de overkant te slingeren. Maar, toen ze het kloppende hart van de tokkende vetzak onder haar handen voelde, kon ze dat niet meer over haar hart verkrijgen. Ze zette het naast zich op de passagiersstoel van de groene Mini, en reed de ophaalbrug over.
In Zaandam was Tinie, want zo heette ze, veilig. Helaas gold dat niet voor iedereen in haar buurt. Zes jaar lang terroriseerde ze ons. Mijn vriendinnen durfden amper nog bij me thuis te komen, met Pasen weken we uit naar de Egmonder duinen om chocolade eieren te zoeken, omdat Tinie alles vond en verslond, de buren stoorden zich aan haar grote snavel als ze het ergens niet mee eens was (en dat was vaak), en de afrastering die mijn vader voor haar in een hoekje van de tuin had gemaakt bleek een lachertje. Haar eieren waren vies, ze smaakten naar kattenvoer. Onze – best flinke – katers mochten blij zijn als ze nog wat konden eten uit hun eigen bakje. Zelfs mijn vader zat onder haar plak. Hoewel hij regelmatig dreigde haar de nek om te draaien, zaten ze ’s avonds samen tv te kijken. Tinie vanaf zijn hoofd. Inmiddels ligt de kip al 28 jaar begraven in het hoekje van de tuin waar ooit de afrastering omheen stond, en woon ik in wat voorheen 'De Stijfselmakersschuur' was. Ik besef dat er nog 78 generaties overheen gaan voordat mijn nakomelingen zich ‘Oostzaner’ mogen noemen, maar ik voel me thuis. Elke dag steek ik de straat over waar Tinie probeerde een eind aan haar leven te maken, en ik ben blij. Blij dat het niet lukte, en blij dat ik hier mag zijn.


Meer berichten