Column: Bijvangst

Terwijl ik bezig was met mijn verhaal over Jeugdland, liep ik over het grasveld waar de hutten gebouwd werden. Op dat gras zag ik iets, vlak bij de slootkant. Een platgetrapte zoetwatermossel.
Door Cornelia Molendijk
Al 35 jaar schrijf ik kleintje natuur, als onderdeel van mijn werk. En ik kan het niet helpen, op dit gebied zie ik overal wat. Deze keer had ik een bijvangst: de schildersmossel. In Ridderkerk had ik ze aan een slootkantje gezien. En ook in Spijkenisse, waar aan de rand van de begraafplaats een sloot is waar ik dergelijke mossels zag. Maar dat we ze hier, in de Rembrandtsingel ook zouden hebben, had ik niet gedacht.
In vroegere eeuwen bewaarden kunstschilders hun verf (tempera) in mosselschelpen, om dit tegen uitdrogen te beschermen. De dunne schelp is aan de buitenzijde bruinachtig en aan de binnenzijde parelmoerkleurig.
Hoe plant zo’n mossel zich nu voort? Dat heb ik voor u opgezocht. Er zijn mannetjes en vrouwtjes onder de mosselen. Het mannetje lost zijn sperma in het water. Het vrouwtje pompt dit water naar binnen via de instroomopening. De bevruchting vindt plaats binnenin haar mantelholte. Een vrouwtje kan 1 tot 2 miljoen eitjes produceren. Deze ontwikkelen zich tot larven met kleine klepjes en tandjes, zij worden glochidiën genoemd. De mens redeneert dat er bij deze schildersmossel geen liefde aan te pas komt. Maar dat weten we eigenlijk niet.
Als de larven volgroeid zijn, stoot de moedermossel ze in een wolk uit zodra er een vis voorbij zwemt. Deze vis is nu de gastheer. De larven bijten zich vast in de kieuwen of huid van de vis. Zo leven ze een maand en voeden zich met bloed en slijm van deze vis. Na een maand zijn de inwendige organen van de larven ontwikkeld. Ze vallen naar de bodem en graven zich in.
Wonderlijk is de natuur.






Meer nieuws uit Rozenburg?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie