Canon van Vlaardingen aflevering 6: ‘ Ploemp in de Waal’

Historie
De strontophaler ontdooit in de huiskamer naast de bedstee in het bijzijn van zijn vrouw de poeptonnen zodat hij ze kan legen in de strontschuit.
De strontophaler ontdooit in de huiskamer naast de bedstee in het bijzijn van zijn vrouw de poeptonnen zodat hij ze kan legen in de strontschuit. (Foto: Stadsarchief)

De trek naar de stad in de tweede helft van de negentiende eeuw brengt niet iedereen de welvaart waar men zo op hoopte. Voor velen wacht bittere armoede, slechte behuizing en een slechte gezondheid.

Ook Vlaardingen groeit in de negentiende eeuw als kool. In 1800 telt het stadje ruim 5.000 inwoners, een eeuw later zijn dat er al 16.600. De woon- en gezondheidsomstandigheden zijn slecht. Regelmatig zijn er pokken- of cholera-epidemieën. Tuberculose is jarenlang volksvijand nummer één.

De bewoners zijn voor hun drinkwater afhankelijk van regenwater, waterbronnen of vaarten en sloten zoals de Waal en de Biersloot. In datzelfde water gooien ze, bij gebrek aan een beerput, ook hun afval en uitwerpselen. Dat geeft een ondraaglijke stank. In 1852 verzoeken de bewoners van de Waal ‘de versche uitwerpselen des menschelijken lichaams’ op te slaan in een te metselen beerput aan de Hoflaan. Die komt er niet.

Wel wordt in 1869 de Waal gedempt en in 1893 de Biersloot. Vanaf 1877 kunnen bewoners hun uitwerpselen kwijt in schuiten in de haven en de Biersloot. De gemeente brengt de inhoud naar het Buizengat, van hieruit gaat het naar tuinders in de omgeving. Dan voert het stadsbestuur het zogenaamde tonnenstelsel in. Vanaf 1889 haalt de net opgerichte Gemeentelijke Reinigingsdienst de poeptonnen op. Normaliter gebeurt dat één keer per week. Rijke mensen laten hun ton natuurlijk vaker legen. De strontophaler belt dan eerst netjes aan en wisselt vervolgens de tonnetjes om. Maar de armen moeten hun ton op een vast tijdstip voor hun voordeur zetten. Wie de strontkar mist, heeft een groot probleem. En wie de ton te vroeg buitenzet, loopt het risico dat hij omgetrapt wordt door baldadige kinderen.

In 1926 komt er een eind aan het tonnenstelsel en worden de woningen geleidelijk aangesloten op de riolering. Het stadsbestuur pakt ook de watervoorziening aan. Na de oprichting van de ‘N.V. Vlaardingsche Waterleiding Maatschappij’ in 1885 verrijst al snel de eerste watertoren. Twee jaar later is meer dan 60% van de Vlaardingers op het waterleidingnet aangesloten, rond de eeuwwisseling ongeveer 90%. Wie geen aansluiting kan betalen kan water tappen uit een van de standpijpen (waterkranen) die verspreid door de stad staan.

Lees meer over dit onderwerp en de andere vensters in de Canon van Vlaardingen: www.canonvannederland.nl/nl/zuid-holland/vlaardingen.

CANON VAN VLAARDINGEN: aflevering 6

Op deze prent laat de kunstenaar ons zien hoe het eraan toeging voordat de Waal in 1869 werd gedempt. Beide prenten: Willem van ’t Woudt.
Afbeelding