Arie de Klerk: ‘Vlaardingen had het stadsrecht niet nodig’

Nieuws
Arie de Klerk met zijn boek bij de Vlaardingervaart met rechts de in 2023 herbouwde windas
Arie de Klerk met zijn boek bij de Vlaardingervaart met rechts de in 2023 herbouwde windas (Foto: Fenny de Graaf)

Bij het beeld dat in de krant van 24 april jl. wordt geschetst van het stadsrecht dat Vlaardingen in 1273 zou hebben ontvangen, past een aantal kanttekeningen.

Tot midden dertiende eeuw trad de rivier de Merwede met grote regelmaat buiten haar oevers en even zo vaak wordt daarbij de streek Vlaardingen grotendeels overstroomd. De aanleg van de Maasdijk (1253-1255) maakt daaraan een eind. Op die dijk verrijst een dijkdorp: de nederzetting Vlaardingen, die zich in 1273 uitstrekt van het begin van de Maassluissedijk tot aan het tegenwoordige Liesveldviaduct. Dat dijkvak bood plaats aan ca. 25 huizen. Een dergelijk aantal heeft er allicht ook gestaan. Het is een hardnekkig misverstand dat dit dorp in 1273 stadsrecht krijgt.
In algemene zin gaan bij stadswording voor het grondgebied van een nederzetting eigen rechtsregels gelden en krijgt dat een eigen gerecht. Dat wordt stadsrecht genoemd en het betreffende gebied de stadsvrijheid. Voor het omringende platteland blijft landrecht gelden: een eeuwenoud stelsel van basale rechtsregels. Het bestuur van de nederzetting, nu dus stad, komt in handen van een gerecht van schout en schepenen, terwijl het omringende platteland onder bestuur komt van een ambachtsheer. Delft krijgt in 1246 stadsrecht, Schiedam in 1275. Dat Vlaardingen in 1273 geen stadsrecht krijgt, blijkt onder meer daaruit dat de nederzetting Vlaardingen niet wordt gescheiden van de gelijknamige streek, waarmee de nederzetting onder het landrecht blijft vallen. 1273 is wel een mijlpaal in de geschiedenis van Vlaardingen, want in dat jaar wordt de streek Vlaardingen een rechtspersoon: het Latijnse oppidum. Op de achtergrond daarvan speelt een langdurige periode, van eind 1272 tot mei 1273, waarin heel Delfland te kampen heeft met ernstige wateroverlast. Ter leniging van de nood maakt graaf Floris V met de inwoners van de streek Vlaardingen op 14 mei 1273 de afspraak dat zij de Vlaardingervaart aanleggen, waartegenover de graaf hen vrijstelt van het betalen van een aantal grafelijke lasten.
Echter, kort na de start van het graafwerk moet onder de gravers onenigheid zijn ontstaan over de vraag wat prioriteit had: het werk op de boerderij of de aanleg van de vaart. Graaf Floris V laat daarover geen misverstand bestaan: de aanleg van de vaart moet doorgaan. Wel komt hij de gravers tegemoet met een (ruimhartige) verlofregeling die het mogelijk maakt om het werk aan de vaart te combineren met dat op de boerderij. Om te voorkomen dat de graaf nog eens over de zaak wordt lastiggevallen krijgt Vlaardingen een eigen gerecht van schout en schepenen. Dat conflict speelt na 14 mei 1273, uiterlijk 1274. Hier is dus geen sprake van het verlenen van stadsrecht. Het gerecht krijgt expliciet de bevoegdheid om een boete op te leggen van maar liefst 18 pond, wat voor die tijd een uitzonderlijk hoog bedrag is. Het bedrag is opgebouwd uit tien pond voor de graaf, één pond voor de schout en een pond voor elk van de zeven schepenen. Onder de dreiging van een dergelijke boete zal niemand het daarna nog in zijn hoofd hebben gehaald om zich aan het graafwerk te onttrekken. In 1276 is het werk aan de vaart gereed, inclusief de bouw van de drie sluizen aan het eind ervan.Na de oplevering van het werk had het gerecht kunnen worden opgedoekt, ware het niet dat eenmaal verkregen rechten alleen met wederzijds goedvinden konden worden geschrapt. En Vlaardingen zal die behoefte niet hebben gevoeld. Zij hecht aan het verkregen recht een boete van 18 pond op te leggen, recht te spreken in een uitgestrekt gebied en dat zij dat gerecht, met inbegrip van de schout, zelf, dus zonder tussenkomst van de graaf, mag aanvullen. Let wel het handelt hier steeds het bestuur van de streek Vlaardingen.
Het formeren van een bestuur voor de streek Vlaardingen stond op gespannen voet met een ander, dan al eeuwenlang bestaand bestuursorgaan: het gerecht van de burggraaf van Hoogstat. Sinds 1006 gold Hoogstat als de residentie van het gravenhuis. De sterkte lag op een opgehoogd perceel aan het eind van het Liesveldviaduct kruising Markgraaflaan. Wanneer graaf Floris III in 1186 de residentie naar Leiden verplaatst, houdt de burggraaf zijn rol als bestuurder. Wanneer de laatste burggraaf Philips III van Wassenaar in 1298 overlijdt en in 1300 ook zijn dochter Kateline, wordt Jan I van der Wateringhe, een oom van genoemde Kateline, waarschijnlijk in 1301, benoemd tot ambachtsheer. Het gerecht van Vlaardingen laat zich echter niet opzij zetten. Tegen die achtergrond zal de grafelijkheid waarschijnlijk in 1308, na het overlijden van Jan I van der Wateringhe, hebben voorgesteld om de nederzetting Vlaardingen en het omringend platteland bestuurlijk van elkaar te scheiden. De nederzetting zou dan stadsrecht krijgen en het platteland formeel onder bestuur komen van ambachtsheer Jan II van der Wateringhe, zoon van Jan I. Maar daarmee gaat Vlaardingen niet akkoord. Kennelijk hecht zij sterk aan haar bevoegdheid om in het hele ambacht recht te spreken, zelf het gerecht te mogen aanvullen en om (te dreigen) met een boete van 18 pond. Voor de grootte van het dorp, dat met inmiddels zo’n 30 à 35 huizen ruim 150 inwoners telt, zal stadsrecht niet nodig zijn geoordeeld.In 1327 krijgt Vlaardingen, waarmee het dan nog altijd om de streek gaat, een uitbreiding van haar rechten. Dat recht laat zich het best typeren als een aanvulling op het vigerend landrecht. In de berechtiging wordt de boete van 18 pond gehandhaafd. Dat bedrag zegt trouwens ook iets over het vermeende stadsrecht van Vlaardingen. In steden namelijk gold 10 pond als het hoogste boetebedrag en daarbij week ook de verdeling van de boeteopbrengst af van de gangbare. Verder valt in de uitbreiding van het recht in 1327 op dat niets wordt geregeld inzake procesrecht: regels en procedures. In steden was dat onlosmakelijk verbonden met het stadsrecht, want daarmee wisten inwoners zich beschermd tegen willekeur door het gerecht. Dat in het recht van 1327 niets wordt bepaald inzake procesrecht, anders dan dat de grafelijkheid kritiek uit op de trage afhandeling van zaken door het Vlaardingse gerecht, toont opnieuw aan dat Vlaardingen dan geen stadsrecht bezit. Een andere aanwijzing daarvoor is het ontbreken van de bevoegdheid om accijnzen te heffen. Dat recht krijgt Vlaardingen pas in 1448, waar dat in steden die heffing al in de veertiende eeuw ingang vindt; Schiedam heeft die al in 1317. Vlaardingen kende ook geen arbeidsgilden. Handelsstad Dordrecht telde er midden veertiende eeuw 44. Daarmee wil gezegd zijn dat Vlaardingen weinig economische en vooral weinig bestuurlijke dynamiek kende. Ook de invoering van de poortereed werpt licht op de status van Vlaardingen. Waar steden die eed vrijwel direct na het verkrijgen van stadsrecht invoerden, doet Vlaardingen dat pas in 1550, wanneer het fenomeen stadsrecht inmiddels op zijn retour is.
Men kan de vraag stellen hoe en wanneer de grafelijkheid greep heeft gekregen op bestuurlijk Vlaardingen. Dat de nederzetting en het omringend platteland beide onder hetzelfde recht vielen, begint eind veertiende eeuw te knellen. In geografische zin ontwikkelt de nederzetting zich meer en meer tot stad, terwijl er in het landelijk gebied weinig verandert. Tegen die achtergrond dringt de grafelijkheid aan om nederzetting en platteland in juridische zin van elkaar te scheiden. In 1407 stemt Vlaardingen daarmee in, maar tegelijk weigert ze de bestuursmacht over het omringende platteland op te geven. De grafelijkheid bindt de kat de bel aan. Eerst scherpt die het toezicht op het Vlaardingse gerecht aan en wanneer het bestuur blijft tegenstribbelen, dringt ze Vlaardingen in 1432 een baljuw op: een hogere rechter, in de persoon van Willem III van Naaldwijk. In 1434 wordt diezelfde benoemd tot ambachtsheer van het omringende platteland én tot die van de nederzetting Vlaardingen. Dat laatste bevestigt dat Vlaardingen, in juridische zin, geen stad was. Vanaf dat moment neemt de ontwikkeling van Vlaardingen een vlucht. De haven wordt uitgediept en die kan daarmee ook de dieperstekende haringbuizen ontvangen.