Op de pijp met... Aad van Zeijl

Cultuur
Aad van Zeijl schreef een boek over dit onderwerp: ‘Scheepmakers, schippers en schuiten’.
Aad van Zeijl schreef een boek over dit onderwerp: ‘Scheepmakers, schippers en schuiten’. (Foto: TON VAN ZEIJL)

Even pauze. Even op de pijp. Bakkie doen, praatje maken. Met en over bijzondere Westlanders. Westlanders met een verhaal. Over Westlandse waarden, en over heden, verleden en toekomst. Deze keer praten we met: Aad van Zeijl.

Aad van Zeijl (74) deed onderzoek naar de historie van de (zeilende) Westlander en toonde aan dat die geschiedenis veel verder teruggaat dan de 19e eeuw. Op 22 februari gaf hij daar een lezing over bij de Vlietwoning. “Ik vind het mooi dat ik hierdoor kan pleiten voor het behoud van dit varend erfgoed.” Aad is getrouwd met Mieke. Samen hebben ze drie kinderen en zes kleinkinderen. 

Waar kom je vandaan? 

Ik ben geboren aan de Gantel. Officieel in Honselersdijk, maar ik heb me eigenlijk altijd meer Poellukker gevoeld. Ik heb twee broers en twee zussen. Mijn vader was Scheepsmaker Maarten van Zeijl. Hij had een werf aan de Gantel waar hij schuiten onderhield en repareerde.

Jouw interesse wortelt dus in jouw familiegeschiedenis... 

Zeker. De werf werd in 1878 gesticht door Maarten Reijgersberg, de opa van mijn vader van Moederskant. Een echte scheepsmaker familie tot minstens de tijd van Napoleon. Ik groeide op de werf op. Die eerste twaalf jaar waren de mooiste van mijn leven. De werf was een geweldige speelplaats waar we alles mochten. Hutten timmeren, varen, vissen... Later is mijn broer Nico nog jarenlang met de werf doorgegaan, maar hij is nu ook gestopt. 

Scheepsmaker worden was dus niet jouw ambitie? 

Ik zag al snel in dat de tijd van de schuiten voorbij was en dat er dus weinig toekomst in dat vak zat. Ik had een andere passie: studeren. Dat was ongewoon in mijn familie en mijn ouders hebben dat nooit goed kunnen begrijpen. Na de Bartholomeus school ging ik naar het gymnasium, een internaat in Kaatsheuvel. Die heb ik niet afgemaakt want ik wilde naar huis. Maar het was wel de tijd, waarin ik ontdekte, dat ik studeren echt leuk vond. Na terugkomst in het Westland wist ik niet goed wat ik wilde dus ging ik naar de kweekschool. Die maakte ik wèl af, maar ik was nog steeds ‘koersloos’. Na mijn diensttijd in Seedorf wilde ik wat van de wereld zien. Naar India om te beginnen. Om geld voor die reis te verdienen ging ik drie maanden op de Jozefschool in Wateringen werken, waar een leerkracht met zwangerschapsverlof ging. In diezelfde periode ontmoette ik Mieke en nam mijn leven een andere wending. 

De wereld rondreizen werd hem niet...

Samen met Mieke ben ik nog wel in India en Nepal geweest. Een reis die ons leven tot op de dag van vandaag nog beïnvloedt. Een heel andere cultuur, een hele andere manier van leven. Mieke en ik wilden al snel verder met elkaar en mede daardoor keerde ik terug naar de Jozefschool. Ik heb vierendertig jaar op de Sint Jozefschool gewerkt en met heel veel plezier. Eerst als leerkracht, later als adjunct directeur en directeur. In die laatste functie heb ik me ingezet voor de nieuwbouw van de school. Na weer een fusie in 2006 trad ik toe tot het bestuur van de W.S.K.O en dat heb ik de laatste zes jaar tot mijn pensioen gedaan. 

En toen had je tijd voor onderzoek... 

Ik heb, terwijl ik leerkracht was, geschiedenis gestudeerd aan de school voor Taal & Letterkunde. Geschiedenis is altijd mijn passie gebleven. En het onderwerp had ook al lang mijn belangstelling, niet in de laatste plaats omdat ik ook een zeilfanaat ben. We hebben jarenlang een catamaran gehad en toen dat vanwege de kinderen wat onhandig werd, hebben we een motorschip gekocht. Een Westlander. Toen de eigenaar hoorde van wie ik er een was kreeg ik ‘m haast niet mee : “Eentje van Maarten, dat is voor de handel zeker”. Ik kon ‘m gelukkig overtuigen en inmiddels hebben we het schip al 40 jaar. 

Wat was je uitgangspunt? 

Bij ons hangt een tekening uit 1878 van onze werf met daarop een complete houten Westlander. Maar zo’n schip is altijd het product van een ontwikkeling. Dus het scheepstype moet ouder zijn. Dat ging in tegen de heersende gedachte dat de Westlander uit omstreeks 1880 stamt. Dat wilde ik dus onderzoeken. 

Waar begon je? 

Het in kaart brengen van scheepstypen, de taxonomie zeg maar, is heel ingewikkeld. Ik heb heel veel gehad aan het werk van meneer Schutten, die daarop is gepromoveerd. Hij heeft zo’n beetje alle houten scheepjes die in Nederland ronddreven gecategoriseerd en hield toen een paar scheepstypen over die ‘nergens bij pasten’. 

‘Ik ben blij dat ik iets heb mogen toevoegen aan de geschiedenis van Westland’

Die scheepstypen bevonden zich rond steden als Leeuwarden, Groningen en Delft. ben dat verder gaan onderzoeken en ben tot de conclusie gekomen dat de stamvader van de Westlander een scheepstype is dat in de Gouden Eeuw een snebbeschuit werd genoemd, en in de middeleeuwen de snabbe, De Westlandse schuit blijkt belangrijke bouwkenmerken te hebben, die overeenkomen met de trekschuiten, die vanuit Delft voeren.

Zoals de trekschuit in Maassluis? 

Precies. Ik ben daar ook gaan kijken en ik zag overeenkomsten. Een rechte kiel en stevenbalk en opgaande gangen. Die bepaalden het uiterlijk. Bovendien was het bestekboek van scheepmaker L. Hoogendam (1697 – 1740) te Maassluis ‘boven water’ gekomen. Deze bron was voor mij de ‘missing link’.

Wanneer werd het dan een Westlander? 

De term Westlander ontstond niet door de bouwstijl van het schip, maar door de functie ervan. De naam van een schip hangt vaak samen met het werk, dat hij doet en het gebied waar het schip vandaan komt. De naam is ook een ontwikkeling. Er is een melding dat er in 1697 al een Westlandse ‘tuinschuit’ aan de Prinsengracht lag. 

Helemaal in Amsterdam? 

Westlanders voeren door heel Zuid-Holland en een deel van Noord-Holland. Dat werd mogelijk door bouw van de sluis van Leidschendam in 1648. Dat was een heel getouwtrek tussen Hollandse steden die voor of tegen waren, want ze wilden hun eigen handel beschermen. Uiteindelijk werd een compromis bereikt; een sluis zo breed als een trekschuit. Wat deden de Westlandse schippers? Die gebruikten het casco van de trekschuit! Dat was in Westlandse wateren al handig, en zo konden ze ook verder weg. Ik kan me voorstellen dat naarmate Westlandse schippers meer gebruik gingen maken van deze schepen, dat men in de steden deze schuiten al snel ‘Westlanders’ noemde: schepen die tuinbouwproducten van het Westland naar de markt brachten. 

Je hebt Westlanders in allerlei soorten en maten... 

De grote Westlanders, groter dan 13 ton, gingen naar de steden Amsterdam, Utrecht, Dordrecht. Je had ook middelgrote schepen, van 8 tot 13 ton. Die gingen minder ver; tot Hillegom ongeveer. De kleine Westlandse praampjes, minder dan 8 ton, kwamen het Westland helemaal niet uit. Dat zijn de schepen die we nu kennen als de ‘schuiten’. Daar gaat de meeste nostalgie over omdat we die allemaal kennen uit het recente verleden. Vanaf ongeveer 1900 verandert dat allemaal omdat er staalbouw komt en motorvermogen. Vanaf dat moment zie je dat ieder van deze drie scheepstypes zijn eigen moderne variant krijgt en dat het lastiger wordt het type vast te stellen. Waarbij ook weer veranderingen worden doorgevoerd. Schepen met een spitse boeg worden afgeplat, om makkelijk over de kop te kunnen laden. Dat soort werk deed mijn vader veel.

Tot de schuiten niet meer nodig waren... 

Na de oorlog hield de nieuwbouw op. Naarmate de vrachtwagen het werk over nam, eerder was de tramlijn al een aderlating, verdween de functie van de Westlander. Veel zijn er gesloopt. Anderen werden pleziervaartuig. Vanaf de jaren ‘80 zie je in die vorm weer een revival met zeilende Westlandse pramen. En je zou kunnen zeggen dat de bekende zuipschuiten ook een modern hoofdstuk van deze oeroude geschiedenis zijn.

Een mooi verhaal... 

Ik ben blij dat ik iets heb mogen toevoegen aan de geschiedenis van Westland. En dat ik op deze manier ook dit varend erfgoed mag promoten. Mij is nu ook gevraagd mee te werken aan een tentoonstelling in het Westlands Museum, met schilderijen van Ben Viegers, waar ook veel bijzondere schuitjes op te zien zijn.

Aad van Zeijl schreef een boek over dit onderwerp: ‘Scheepmakers, schippers en schuiten’. Het is nog te koop in het Westlands museum. 

Wil jij ook Op de Pijp of ken je iemand met een mooi verhaal? Mail dan naar redactie.westland@rodi.nl.