Op de pijp met... Geerd Paalvast

Cultuur
Afbeelding
(Foto: Ton van Zeijl)

Even pauze. Even op de pijp. Bakkie doen, praatje maken. Met en over bijzondere Westlanders. Westlanders met een verhaal. Over Westlandse waarden, en over heden, verleden en toekomst. Deze keer praten we met: Geerd Paalvast.

Regelmatig kijkt hij mijmerend naar de tuin waar hij opgroeide. Geerd Paalvast (89) maakte het glazen model eigenhandig volgens de ‘Tiffany-methode’, bekend van de lampen en glaskunst. Een complex en tijdrovend karwei. “Soms kan ik zelf niet begrijpen hoe ik het heb kunnen maken.” Geerd woont in Monster is weduwnaar van Gre, met wie hij drie kinderen en vier kleinkinderen heeft. Sinds een paar jaar heet hij weer een vriendin: Sjaan.

Waar kom je vandaan?

Ik kom van Monster. Opgegroeid aan de Poeldijkseweg, tegenwoordig de Alkemadelaan in Monster. We waren met een groot gezin thuis: 17 kinderen, waarvan er nu nog vijf in leven zijn. En dan woonde er ook nog een oom bij ons in. Een broer van mijn vader. Ze zijn samen uit Maassluis gekomen om hier in het Westland in de tuin te gaan werken. Mijn vader ontmoette hier mijn moeder, die intern zat bij de familie Van Os. Het grappige is dat mijn huidige vriendin Sjaan ook een Van Os is. De wereld is klein. Via die familie konden mijn vader en oom een stukje land huren om zelf tuinder te worden: “Maar als mijn kinderen groot zijn moet je er vanaf”. Dat gebeurde een paar jaar later ook en zo verhuisden mijn ouders tenslotte naar de Poeldijkseweg.

Met 20 monden te voeden zal het geen vetpot geweest zijn…

Nee. Dat was het ook niet. En het was in mijn vroege jeugd ook nog eens crisistijd en daarna oorlog. De oorlog heb ik bewust meegemaakt. Ik zie nog de vliegtuigen neerstorten boven het strand. Dat maakte indruk op een jochie van zes. Ik kan me ook nog herinneren dat de Duitsers allerlei aanplakbiljetten hadden opgehangen en dat ik werd uitgedaagd: “Die durf jij niet af te scheuren”. Nou, dat durfde ik dus wel. Helaas werd dat gezien door een politieagent en die ging achter me aan. Op het politiebureau heb ik toen een paar uur in de hoek gestaan. Ik kwam er eigenlijk nog wel goed af.

Wilde jij ook tuinder worden?

Ja. Maar daar moest je wel een diploma voor hebben en ik deed het niet zo best op school. Na de lagere school ging ik naar de tuinbouw avondschool. Maar op m’n 14e ging ik al naar mijn eerste baas. Daar verdiende ik 12 gulden 50 per week, waarvan ik een rijksdaalder zelf mocht houden. Na de oorlog moest ik in dienst. Een mooie tijd was dat. Als ik in die tijd geen verkering had gekregen had ik bijgetekend. Maar goed, terug naar de tuin en uiteindelijk mijn eigen tuin aan de Oorberlaan. Via het Bouwfonds konden we een huisje op die grond bouwen. Dat betaalde je dan af tot 18000 gulden. Kom daar nu nog maar eens om. Maar uiteindelijk bleek ik toch niet zo’n hele goede tuinder te zijn. Dus na een paar jaar heb ik de boel verkocht en ben ik bij de Gemeente Den Haag in de plantsoenendienst gaan werken. Dat beviel me wel. In Madestein en bij de Uithof staan nu nog bomen die ik ooit geplant heb en die nu zó dik zijn.

Leuk werk dus?

Het was wel echt de stad en dat merkte je. Westlanders werken toch anders. Dat werd door de leidinggevenden heel erg gewaardeerd maar door je collega’s niet altijd. Maar goed, ik heb het 22 jaar uitgehouden en dat lukt je niet als het niet leuk is. Op mijn 59e kreeg ik de kans om met vervroegd pensioen te gaan. Die kans heb ik gegrepen.

Maar ja, wat ga je dan doen?

In het begin hielp ik mijn broer op zijn tuin. Producten naar de veiling rijden. En gelukkig had ik mijn hobby’s. Ik heb altijd graag mogen knutselen en bouwen. Als kind al. Op mijn werk hing er een keer een scheurkalender in de schaftwagen met een molen erop. Ik besloot die na te gaan maken. Helemaal zonder tekening, van sloophout. Dat was in 1973 en het heeft zelfs de krant nog gehaald. Al in die tijd dacht ik erover om er stroom mee te gaan opwekken, maar we verhuisden en ik raakte het land kwijt waar ie op stond. Uiteindelijk is ie verbrand. Later heb ik nog een aantal kleinere molens gebouwd. Daar staan er nog een stuk of drie van in het Westland.

En toen ontdekte je Tiffany…

Toen ik met pensioen was kwam ik op een tuinbouwbeurs een Tiffanylampje tegen en ik raakte aan de praat met de man die ze verkocht. Het sprak me aan en daarom volgde ik een cursus om dat te leren maken. In Rhoon was dat.

Wat houdt die Tiffany-techniek in?

Je werkt met kleine stukjes glas. Alles apart gesneden. Om ieder stukje gaat een koperbandje waardoor je ze aan elkaar kunt solderen en zo kun je dingen maken. Het is dus echt een andere techniek dan glas in lood. Mijn eerste werkstuk was een vogeltje.

Het lijkt me nogal arbeidsintensief…

Dat is het ook. Het is echt een hels karwei. Soms kan ik zelf niet begrijpen hoe ik het heb kunnen maken. Ik heb ook nekklachten overgehouden aan dat steeds voorovergebogen zitten solderen. Soms kwam Gre me om midden in de nacht naar bed slepen: “Ga slapen, het is 1.30 uur.” Maar het is ook de mooiste hobby die je kunt hebben. Je kunt van alles maken.

Zoals de tuin van je vader en oom…

Daar ben ik denk ik zo rond mijn 65e aan begonnen. Geen idee hoeveel uur ik erin heb zitten. Heel veel. Zonder tekening, gewoon uit mijn hoofd. Het is langzaam gegroeid. Ik begon met ons ouderlijk huis. Dat staat er trouwens nog, dus je kunt gaan kijken of het lijkt. En zo heb ik er steeds weer iets bijgemaakt. Het platte glas, de muurkassen, de schuur waarin we varkens hielden…


Varkens?

Dat deden veel tuinders in die tijd. Varkens houden. Twee keer per jaar werd er een geslacht en dan had je voor een half jaar vlees. Dat werd geweckt, hammen werden gerookt. Zo kon je het bewaren zonder koelkast. We hadden trouwens ook konijnen en kippen. Ook die werden opgegeten.

Wat teelden je vader en oom eigenlijk?

Van alles. Groenten, bloemen, druiven.. Je ziet in het model ook een paar druivenserres staan. En een klein warenhuis. Dat werd om de zoveel jaar verplaatst om zo weer nieuwe grond te kunnen gebruiken. Een van de kassen werd na de oorlog gebruikt als garage voor de auto. En verder zie je nog de schoorsteen en het ketelhuis, het bruggetje voor ons huis, de schuit waarmee we spullen naar de veiling brachten en het kwakeltje waarmee we snel naar de overkant van de sloot konden komen.

Lastig werk…

Dat bruggetje zeker. Rond is heel lastig werken want het glas breekt snel. Al het witte glas is trouwens oud kasglas. Gekleurd glas moet je kopen. Je kunt dat niet zelf kleuren. En die druiven, dat zijn halve knikkers.

Dus dit is hoe het was?

Helemaal zoals het was in 1929 en de jaren daarna. Er zit een kwitantie ingebouwd van de jaaromzet van de tuin in 1934. Iets meer dan vierduizend gulden. Als ik er naar kijk zie ik weer helemaal hoe het toen was. Ik kan er ‘s avonds enorm van genieten. Echte Tiffanykunst is duur. Dit niet. Maar het is wel waardevol. Vanwege de herinneringen.

Het is wel omvangrijk…

Ja. En dat is wel een ding nu ik echt ouder wordt. Mijn kinderen hebben er niet echt de ruimte voor. Mijn dochter misschien, maar die woont in Friesland en ik vind eigenlijk dat dit in het Westland moet blijven. En dat het bij elkaar moet blijven. Ik wil het niet ook aan een particulier verkopen. Dan zie ik het nooit meer. Misschien dat, als mijn kinderen het echt niet willen, het Westlands Museum geïnteresseerd is. Dat zou ik wel het mooiste vinden. Want het is echt Westlands. Een echt tijdsbeeld. Ja. In het Westlands Museum zou het perfect passen!

Wil jij ook Op de Pijp of ken je iemand met een mooi verhaal? Mail dan naar redactie.westland@rodi.nl.