Op de Pijp met... Frans van der Sman

Nieuws
Afbeelding
(Foto: TON VAN ZEIJL)

Welke geheimen herbergt de (familie)geschiedenis? Wat vind je als je naar het verleden reist? Frans van der Sman (66), niet toevallig geschiedenisdocent, schreef er een boek over. Frans woont met zijn partner Karin in Poeldijk. “We hebben geen kinderen, maar ik heb er duizenden gehad.” 

Van wie ben jij er één?

Ik ben er één van Frans van der Sman en Jo Hogervorst. Geboren en getogen in Poeldijk, samen met mijn drie broers en twee zussen. Mijn moeder had haar handen vol met zes kinderen thuis, temeer daar mijn vader veel op reis was. Hij was als vrijwilliger naar Indonesië gegaan en is daar neergeschoten. Hij herstelde nooit meer helemaal en hem werd geadviseerd om buiten te werken. Zo kwam hij bij kassenbouwers Voskamp en Vrijland terecht, een van de eerste Westlandse kassenbouwers die in het buitenland gingen bouwen. Zo is hij, in de rol van projectleider, dus de hele wereld overgegaan, waarbij hij veel moest samenwerken met mensen uit allerlei landen en culturen. Daar was hij goed in. 

Zag jij ook brood in de kassenbouw?

Nee! Ik heb in de zesde klas al eens een opstel gemaakt waarin ik schreef: als ik later groot ben wil ik leraar worden. Dus het zat er al heel vroeg in. En gelukkig was ik in de gelegenheid dat ik mocht doorleren. Mijn vader heeft die kans bijvoorbeeld nooit gehad. Na de Bartolomeüsschool en de Thomas van Aquino mavo in Poeldijk ging ik naar het Thomas More college in Den Haag. Daarna wilde ik naar de lerarenopleiding, maar ik werd helaas uitgeloot. Toen was er nog geen tekort aan leraren. Ik ging dus werken bij de Rabobank. Dat was achteraf ook een nuttige periode want ik leerde daar om met, soms moeilijke, mensen en klanten om te gaan. In de avonduren deed ik de lerarenopleiding geschiedenis. Ik kreeg daar les van allerlei bekende professoren. Fantastisch was dat. 

Uiteindelijk ben je ook in het onderwijs terecht gekomen…

Eerst als invaller bij het Spieringshoek College in Schiedam. Onderwijskunde was in mijn opleiding niet veel aan bod gekomen, dus dat moest ik vooral in de praktijk leren. Maar bij de eerste lessen en het contact met de leerlingen wist ik ‘dit is het.’

Wat was het?

Een voorrecht misschien wel. Dat je bij mag dragen aan de ontwikkeling, de groei van een kind. Dat je een kind ècht kunt zien en ook iets kan betekenen. Een kind dat opgroeit heeft mensen om zich heen nodig die hem steunen, helpen. Waar hij/zij verbinding mee kan krijgen. Als docent kun je zo iemand zijn. Als leraar leer je net zoveel van het kind, als het kind van jou. Je vormt en je wordt gevormd. Na het Spieringshoek werd ik invaller bij de Dalton Mavo in Naaldwijk, als leraar geschiedenis en later ook maatschappijleer. Daar mocht ik uiteindelijk ook blijven. 

Hebben die twee vakken iets met elkaar te maken?

Veel eigenlijk. Want iedereen en alles in de samenleving heeft met dezelfde vragen te maken: waar kom je vandaan? Waar ben je nu en waar ga je heen? 

 Inmiddels ben je met pensioen… 

Vanaf 2010 was ik directeur, waarbij ik soms ook nog les gaf. Vorig jaar ben ik met pensioen gegaan. 

Je hoort vaak dat het onderwijs nu slechter is dan vroeger…

Dat is een ingewikkelde. Ik zie overal, in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, mbo en hbo, docenten kneiterhard werken om jongeren iets te leren. Maar net als in de 18e en 19e eeuw hebben we te maken met een sociologisch fenomeen: grote veranderingen in de samenleving. Toen waren die zichtbaar: de industriële revolutie. De veranderingen nu zijn minder zichtbaar, vooral digitaal. De wereld wordt ingewikkelder en we hebben er nog geen goed antwoord daarop. Ik vraag me echt af of het onderwijs dat wij vroeger hadden, zoals tafels leren, in deze tijd nog echt zou werken. Al meer dan vijftien jaar vragen we ons met z’n allen af wat nu wijsheid is. 

En daarmee komen we een beetje op jouw geschiedenis…

Klopt. Want mijn boek speelt zich af van het midden van de 19e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog. Een tijd waarin dus veel gebeurde. Waarin uitvindingen werden gedaan die de wereld veranderden. 

Hoe kwam je ertoe te gaan schrijven?

Het gevoel had ik al langer. Als ik in Delft kwam, vóelde ik als het ware dat daar de voetstappen uit het verleden liggen. Toen een neef overleed kwam er een doosje met documenten en een paar cd’s tevoorschijn. Die bleken familiefoto’s te bevatten. Oude foto’s van soms best voorname families. Dan ga je je afvragen: wie zijn dat dan? Deels kun je dingen achterhalen in de archieven. Je kan familieleden ontmoeten die hun verhalen hebben, maar veel blijft een raadsel. Toen besloot ik die ‘gaten’ op te vullen met fictie. Verhalen te vertellen die niet per se waar zijn, maar wel waar kúnnen zijn. Zo werd het een roman met verschillende hoofdpersonen, bijvoorbeeld de mysterieuze tante die alles weet en pas aan het eind van het boek echt van zich laat horen. De familieleden, die ik in de meeste gevallen nooit gekend heb, komen weer tot leven. 

Noem er eens één?

Mijn overgrootvader, Herman Romijn, was een weeskind die in 1869 besloot om zoeaaf te worden voor de paus. (een zoeaaf, is een lichte infanteriesoldaat – EvE). In Oudenbosch is een museum over de zoeaven. Daar vond ik zijn inschrijfkaart en zelfs een aantal brieven van hem aan zijn zussen, en andersom. Dat zijn de feiten maar van daaruit start het verhaal. Een weesjongen die vanuit Delft via Brussel naar Italië gaat. Wat moet dat een avontuur zijn geweest! En tegelijkertijd raakt zijn geschiedenis ook aan de wereldgeschiedenis, want ik vertel in het boek dan ook wat er in die tijd in Italië aan de hand was en welke rol die zoeaven daarin speelden. Zo weef ik feit en fictie door elkaar heen. En van het ene verhaal kom je in het ander. Van de oudtante die zelfmoord pleegde, maar wel in allerlei liefdadigheidscommissies zat. Waarom eindigde ze haar leven? Of het nichtje van mijn vader, dat tijdens de bevrijding zwanger werd van een Engelse soldaat, en hoe dat haar leven en dat van heel veel zogenaamde ‘bevrijdingskinderen’ heeft beïnvloed. En natuurlijk het verhaal van mijn eigen vader in Indonesië. 

Hoe kwam jouw Delftse familie eigenlijk in Westland terecht?

Mijn familie zat veel in handelszakenzaken met de boeren en de industrie. Mijn opa, ik noem hem ‘Jan Wijnman’was een beetje een pechvogel. Hij verloor twee vingers bij het houthakken met zijn broer, opende een kledingwinkel in Den Haag in 1914, die door de Eerste Wereldoorlog nooit ging renderen. Hij was handelsreiziger en werd uiteindelijk fustmeester van de veiling in Monster. Van zijn dertien kinderen was mijn vader een van de jongste. 

Waarom noem je hem ‘Wijnman’?

Als je echte namen gebruikt, kom je soms in de knoop met de privacywetgeving. Raar, maar het is zo. 

En je hint op een familiegeheim…

In deze familiegeschiedenis duikt steeds een vrouw op: Anna Dobbe. Ze is er steeds, maar altijd op de achtergrond. Het is niet duidelijk wie ze echt is. Een pleegdochter? Uiteindelijk heb ik daar mijn eigen theorie op losgelaten.

Wat heeft het boek en het onderzoek je gebracht?

Heel veel mooie ervaringen. Kennis van archiefonderzoek, maar het mooist van alles: contact met familieleden van wie ik niet wist dat ik ze had. En in het verlengde daarvan droom ik stiekem dat door dit verhaal er iemand van de familie van Anna opduikt, liefst mét fotoboek. En dat dan duidelijk wordt hoe het ècht zit. En misschien kan ik dan over haar schrijven. Ik bedacht me dat onlangs op de fiets. En ineens zag ik het: een vrachtwagen. Van de firma Dobbe! Op dat moment vraag je je echt af: is het toeval? Of is het het lot? 

Wil je reageren op het boek? Mail dan naar reizeninhetverleden@gmail.com 

Wil jij ook Op de Pijp of ken je iemand met een mooi verhaal? Mail dan naar
redactie.westland@rodi.nl.

Afbeelding
Afbeelding

Meer nieuws uit Westland?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: