Hoe kruidenier Marie en Nelie Jonkhart decennialang het hart van Landsmeer vormden

LANDSMEER - In het Landsmeer van de vorige eeuw stond halverwege de Van Beekstraat het grutterswinkeltje van de zusters Marie en Nelie Jonkhart. Twee vooruitstrevende dames die van aanpakken wisten, scherp op de cijfers letten en een luisterend oor hadden voor wie dat nodig had.
Zodra je daar in de vroege ochtend over de drempel stapte met het heldere gerinkel van de koperen bel, kwam je een wereld binnen die rook naar het kruideniersvak van weleer. Het was een zware lucht die je nergens anders rook. Een geur die door de jaren heen in de nerven van het hout was getrokken.
Het aroma van kaneel en kruidnagel
Een mengeling van kruidige thee en versgemalen koffiebonen. Het aroma van kaneel, kruidnagel, peper en andere specerijen, die in bakken of lades lagen. De prikkelende lucht van groene zeep in het houten vat onder de toonbank en de aardse walm van losse, ruwe tabak. En niet te vergeten, de weeïge reuk van zoete stroop, die je bijna kon proeven zodra je in de buurt van het vat kwam. In die geurige en sfeervolle nering van toen ging men graag om een boodschap. Een wereld van verschil met de geurloze gangpaden van de moderne supermarkt.
Sijmen Soepkip
Eigenlijk waren beide zussen bij toeval in het kruideniersvak terechtgekomen. Hun vader, Sijmen Jonkhart, die vanwege zijn dikke buik ook wel Sijmen Soepkip werd genoemd, had een boerderij aan het Noordeinde. Maar het zat hem tegen. In 1924 kocht hij het huis aan de Van Beekstraat en begon een kruidenierszaak.
Vader ging samen met Marie langs de weg met zijn kar, waarop hij kistjes met koopwaar vervoerde. Hij had zijn klanten door heel Landsmeer en Den Ilp, en ondanks het feit dat Nelie slechtziende was, stond ze achter de toonbank.
Worsten en spek aan de balken
Er werden niet alleen grutterswaren verkocht, maar aan de balken hingen ook worsten en spek. Poes en muizen konden er zo niet bijkomen. Achter in het schuurtje stond het vat met petroleum. Behendig tapte Marie de olie in de meegebrachte kannen van de klanten. Of ze nu van ijzer of emaille waren, er was altijd een passende maat van één, twee of vijf liter. En wie verlegen zat om een stel veters, een klosje garen, elastiek, of stopwol kon er ook terecht.
Toen vader overleed besloten Marie en Nelie de winkel voort te zetten en ook het venten langs de weg bleef Marie doen. In de dorpsmond werd zij ‘Marie van Sijmen Soepkip’ genoemd. Bijnamen waren heel gewoon in die tijd.
Een goede naam
Met hard werken wisten ze een goede naam op te bouwen en bovendien hadden ze het zeldzame vermogen om de eindjes aan elkaar te knopen.
Hun administratie was geen boekwerk van een geleerd kantoor, maar een beduimeld schriftje dat altijd binnen handbereik op de toonbank lag. Met een kort potloodje achter hun oor hielden ze de hele nering onder controle. In het schriftje schreven ze hoeveel schuld de klanten hadden en hielden ze de inkoop bij.
De winst was vaak mager
Aan het einde van de dag, bij het schijnsel van de olielamp, maakten ze de balans op. Halve centen één cent, vierduitstuk (twee en halve cent), vierkante stuivertjes (vijf cent) werden geteld en inkomsten en uitgaven werden tegenover elkaar gezet. De winst was vaak mager, maar zolang de schappen vol lagen en de schulden (‘de pof’) niet te hoog opliepen, stonden ze er goed voor.
Tussen de open balen en geurige laden schepten zij met een houten of geëmailleerde gruttersschep meel, gort, peulvruchten en zout in een papieren puntzak. Dan werd het gewogen op de weegschaal met aan de ene kant het zakje meel of suiker op de schaal en aan de andere kant de opgestapelde gewichtjes. Soms moest er een extra klein schepje bij, dan was het precies een pond. Groene zeep werd met een spatel uit het vat geschept en in een meegebrachte pot gedaan en de pruimtabak werd kant en klaar in een puntzakje verkocht.
Nuchtere raad
Terwijl ze de bestelling in orde maakten, luisterden ze naar de verhalen over het wel en wee van de klant. Ze knikten zwijgend als het over ziekte of armoede ging en ze keken even op als de toon plotseling omsloeg naar een beetje blijdschap. Pas als de zusters de boodschappen over de toonbank schoven, gaven ze een nuchtere raad, een kort woord van troost of een kerkelijk woord. De centen werden geteld of er werd gepoft en met een laatste knik en het vertrouwde gerinkel van de koperen bel stapte de klant de frisse buitenlucht in.
Marie deed de bezorging aan huis. Ze kwam voornamelijk bij de kerkelijke gezinnen op maandag de boodschappen vragen en op vrijdag bezorgen. Bij Grietje Tump kwam ze ook en die was dol op chocolade flikken van Droste en Enkhuizer koeken, verpakt in blikken waar statiegeld op zat. Wanneer Marie een artikel niet had, zoals koperpoets of wrijfwas, haalde ze het bij een andere winkel en deed er een paar centen bovenop.
Gevarendriehoek achterop
Met een enorme mand achterop haar fiets en een grote mand aan haar fietsstuur liep ze de klanten af. Ze fietste nooit, ze liep er altijd naast. En in de winterdag, als het vroor dat het kraakte, ging ze met de slee.
Op een keer werd ze ‘s avonds laat aangereden. Gelukkig was het niet ernstig, maar vanaf die tijd had ze een gevarendriehoek op die mand achterop haar fiets. Dat was een stuk veiliger.
Alles op de tast
Tot op hoge leeftijd heeft Marie gevent tot half elf ‘s avonds en stond Nelie, ondanks haar slechtziendheid, alleen in de winkel. Meer dan schimmen zag ze niet en verder deed ze alles op de tast. De winkel was hun leven en als je ‘s-avonds nog wat nodig had, kon je gerust aankloppen. Behalve op zondag, dat was de rustdag, de dag van de Heer.
Toen ze over de tachtig waren gingen ze naar het Sint Jozef bejaardenhuis in Purmerend. In De Keern in Landsmeer was geen plaats. De kerk regelde alles. De inventaris van de winkel is naar het museum gegaan. En na het overlijden van de zussen kreeg het museum nog een merklap, schilderijtjes en wat persoonlijke dingen. De opbrengst van het huis was voor de kerk.
Balans tussen zakelijkheid en barmhartigheid
Marie en Nelie werden respectievelijk 89 en 90 jaar. De zussen, die zich altijd wegcijferden voor een ander, hebben hun schorten al lang afgelegd. In hun verstilde winkeltje bij het museum van Grietje Tump hielden ze met dat korte potloodje de balans bij tussen zakelijkheid en barmhartigheid. Nelie was de liefste en Marie was bijdehand.
Sonja Duba en Frans Poulain







Meer nieuws uit Landsmeer?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie