Column Marcel van Stigt: Naar Artis

Nieuws
Afbeelding
(Foto: Ingrid Cortissos)

Het was alweer lang geleden dat ik voor het laatst Artis bezocht. Maar nu liep ik er weer rond, samen met mijn vriendin en mijn bonusgabbertje Johnny. Het dierenpark bleek flink gemoderniseerd. De panter en de tijger, die in mijn tijd de godganse dag in een krap hok heen en weer liepen, waren er tot mijn opluchting niet meer. De ijsberen ontbraken eveneens. Ook zij konden niets anders doen dan... eh... ijsberen. 

Zeeleeuwen verblijven er gelukkig nog wel. En daar was het mijn driejarige gabbertje om te doen. Bij een eerder bezoek met zijn oma wilde hij ze ook graag zien, maar toen hielden ze zich verborgen. We gingen nu voor de herkansing.

Uiteraard hadden we ook oog voor de andere dieren. Eigenlijk horen ze helemaal niet thuis op afgesloten percelen maar in de vrije natuur, vind ik, maar goed, het is wel mooi om bijvoorbeeld een olifant – mijn favoriete dier – of een giraf van redelijk dichtbij te kunnen observeren. Of zo’n langgerekte krokodil, die ogenschijnlijk maar wat ligt te lummelen.  

Toch was het niet deze hapsnurker die in het Reptielenhuis de aandacht van Johnny trok. Dat was de leguaan. Samen met zijn oma liep hij er behoedzaam naartoe en hij was diep onder de indruk van de stokstijve gestalte en kille blik – van de leguaan, niet van mijn vriendin. Was het dier misschien dood? 

Het beeld raakte hij niet zomaar kwijt. Later liep ik met Johnny door de vlindertuin – mijn vriendin bleef buiten staan met de wandelwagen – en toen sprak hij een medewerkster aan.  Ze voelde meteen aan dat het hier een serieuze zaak betrof, zakte even door de knieën en keek hem vol aandacht aan.   

“Wat gebeurt er als de leguaan er niet meer is?”, vroeg hij bezorgd. Gespannen wachtte hij haar antwoord af. 

“Dan komt er een nieuwe leguaan”, zei de vrouw. De geruststellende blik in haar ogen vormde het beslissende zetje. Voor Johnny was het probleem hiermee opgelost. 

Na een ijsje maakten we ons op voor wat het hoogtepunt van deze trip moest worden. De zeeleeuwen. Eerst liepen we het binnenverblijf in. Samen met Johnny tuurden we door het glas naar het troebele water, maar nee, ze zwommen niet rond. Terwijl mijn vriendin het toilet opzocht, liep ik alvast met hem naar buiten. En ja, daar waren ze dan. Lekker aan het chillen op hun plateau. Johnny vond het machtig mooi, maar wilde wel even iets opgehelderd zien.

“Opa, waarom kijkt die ene zeeleeuw steeds naar boven?” 

“Nou, Johnny, hij kijkt naar die grijze wolken en denkt: als het maar niet gaat regenen.” 

“O. En wat zegt die andere zeeleeuw?” 

“Die zegt: ‘Jôh, het gaat helemaal niet regenen. En anders gaan we toch gewoon naar binnen?’” 

“Oké.” 

Naast ons stond een oudere vrouw, die het gesprek volgde. Johnny merkte haar op en herhaalde wat ik tegen hem had gezegd. Ze schatte deze informatie op de juiste waarde in en knikte.  Het babbeltje was hiermee afgerond. 

Toch gaf Johnny haar nog één dingetje mee: “Dit is m’n opa.” 

Meer nieuws uit Oostzaan?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: