Zo groen als gras

OOSTZAAN - Het was zaterdagmiddag en ik was bij opa in het ketelhuis. We zaten samen op het bankie voor de ketel te praten over de kippen en daar komt Jaap binnenlopen. Die begint toch tegen opa te zwetsen, zo van: “Hoe gaat ut, Simon?” (Zo noemden ze opa.) “Ik zie dat Sijmpie d’r ook weer is. Heb je nog wat an ‘m?”
“Niet veul Jaap, hij kost alliendeg maar!”
“Is ie al droog achter z’n oore ?” En een lol dat ze samen hadden om mij in de zeik te nemen. Wist ik veel wat ze er mee bedoelden? Dat ging zo nog een tijdje door met meer van die onzinpraat, totdat Jaap tegen opa zei: “Zou Sijmpie volgende week een week mee kenne naar de stad?”
“Van mij mag het, hoef ik ook niet zo op hum te letten. Kan ie ook het veld niet in en geen rottigheid an de hand hale, zodat er weer een smeris achter hem an zit.”
“Gebeurt dat dan wel eens?”
“Ja, verleden week nag. Hij zat achter Sijmpie an, maar hij was vergeten dat z’n buitenboordmotor watergekoeld was.. ha ha! En toen kwam ie vast te zitten in de bagger … ha ha ha! Het is goed, neem hum maar mee en als ie rotvervelend is, heur ik ut wel.”
“Hij krijgt vijfentwintig gulden om te helpen!”
“Nou, dat is mooi, kan ie het weer verdommere an snaaiwerk!”
En daar had opa gelijk in, chocolade, daar was ik gek op. Maar als ik dat zou doen, wist ik zeker, dat ik weer een hele preek zou krijgen.
Op maandag meldde ik me, ik had brood bij me en Jaap was er ook. Hij vertelde me dat ik met chauffeur Teun mee zou gaan de stad in. Dus liep ik naar Teun om te zeggen dat ik van Jaap had gehoord dat ik deze week met hem mee ging. Het was namelijk vakantietijd voor de melkboeren. Een ieder kreeg drie weken en dan moest een ander zijn wijk overnemen.
De melkwagen was geladen en we vertrokken naar de stad. Eerst met de pont over en dan richting de Noordermarkt. Daar was toen het depot bij de melkboer voor de deur. Er stonden al veel kratten onder een dik dekkleed en Teun reed de melkauto de markt op. We gingen bij de melkboer naar binnen en ik werd voorgesteld aan de winkelierster.
Toen we daar zaten, belde er een melkboer of wij zijn bestelling konden brengen. We laadden het op de melkauto en reden naar een zijstraat van de Lindegracht, niet ver bij de Noordermarkt vandaan. En laat het nou een Oostzaanse melkboer zijn. En zijn vrouw, ook een Oostzaanse, kende mij. Ik haar niet, maar toch was het leuk.
Nadat we de melkproducten hadden afgeleverd, reden we weer terug naar het depot. En dan maar wachten op wat er verder zou gaan gebeuren. Het was nog goed weer, dus dat scheelde. Ik zag Teun even met de vrouw van de melkboer praten en toen kwam ze naar mij toe en vroeg: ”Zeg Siempie, zou jij even een boodschap willen doen?” Dat vond ik best, want de hele tijd op je kont zitten, daar word je ook niet vrolijk van.
“Zou jij even een vergiet zonder gaatjes willen halen?”
“Is goed.” (Ik wist niks van pannen af.) “Dan moet je daar naar toe!”
En ze wees me de weg. “Langs de Prinsengracht, links de brug over en daar is links op de hoek een galanterie winkel die van die pannen verkoopt.”
Ik liep over de gracht naar die winkel toe, stapte naar binnen en de man achter de toonbank vroeg: “Kan ik je helpen?” En ik antwoordde: “Dat kan u, ik wil een vergiet zonder gaatjes.”
De man keek mij aan of hij water zag branden en vroeg: ”Voor wie is het?”
“Voor de melkboer z’n vrouw, die op de Noordermarkt woont.”
We gingen samen naar buiten en ik wees hem waar het was. Hij ging weer naar binnen en pakte het telefoonboek en ging bellen. Toen knikte hij en mompelde: ”Komt goed!”
Daarna keek hij mij eens goed aan en zei: “Hier heb je wat geld, ga daar een ijsie kopen en kom het hier opeten.” Hij wees me de weg en ik ging er heen voor een ijsie. Toen ik terug kwam zei hij: ”Ga maar op die stoel zitten en eet het lekker rustig op.”
Ondertussen liep hij wel wat vaak naar buiten en hij zei niets. Toen ik het ijsie op had, ging hij weer naar buiten en zei: “Nu ga je langs deze kant van de Prinsengracht, dan over de brug links, dan weer links en dan kom je zo weer op de Noordermarkt bij de melkwagen en als je Teun ziet lopen, moet je meteen bukken!” En inderdaad, ik zag Teun en ik bukken en hij liep maar om zich heen te kijken. Ik ging weer verder richting de Brouwersgracht. Daar aangekomen, de brug over en richting de Noordermarkt.
Toen ik bij de melkboer kwam, stond zijn vrouw voor het raam naar buiten te kijken en toen ze me zag, zei ze: ”Waar kom jij nou vandaan?”
Dus vertelde ik van het ijsie en terwijl ze eerst een beetje zorgelijk keek, begon ze nu ineens hartelijk te lachen!
En daar kwam Teun ook aangelopen en vroeg: “Waar zat je nou?” En weer vertelde ik van het ijsie. En terwijl ik ze verbaasd aankeek, schoot Teun ook in de lach en nog voordat ik kon vragen wat er toch zo leuk aan was, riep hij bulderend: “Heeft hij ons even mooi te pakken!”
Siem Meijn en Sonja Duba






Meer nieuws uit Oostzaan?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie