‘We hadden in Oostzaan een SS-burgemeester, een rotvent eerste klas’

Nieuws
Bommenwerper stort neer aan het einde van de Haal, over het spoor in de Enge Wormer.
Bommenwerper stort neer aan het einde van de Haal, over het spoor in de Enge Wormer. (Foto: Oudheidkamer Oostzaan)

OOSTZAAN - Het is nu tachtig jaar geleden dat Nederland bevrijd werd door de geallieerden. Dit jaar herdenken we dat we sinds het einde van de oorlog in vrijheid leven. Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen. Het Nederlandse leger verzette zich hevig, maar na het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 was Nederland genoodzaakt zich over te geven. Goos Vonk heeft het allemaal als kind meegemaakt en blikt terug.

‘Ik was acht jaar en ik weet nog als de dag van gisteren, dat mijn moeder ons ‘s morgens om half zes uit het bed haalde en ons vertelde dat de Duitse soldaten Nederland waren binnengevallen. Het was die dag schitterend weer en overal stond de radio aan. Bij onze buurman stond hij in de vensterbank, naar buiten gericht, over de weg te schetteren. Alle buren stonden er omheen. In de middag zag je grote, zwarte rookwolken en vlammen boven de petroleumhaven langs het Noordzeekanaal hangen. De Engelse marineschepen die in Amsterdam lagen, hadden bij hun vertrek alle olietanks in brand geschoten en die hebben zeker vier tot vijf dagen gebrand. Na vier dagen, toen half Rotterdam was platgegooid, capituleerde de Nederlandse regering en trok het Duitse leger hier binnen.’

‘Het eerste jaar merkte je er nog niet zoveel van, maar in het tweede jaar begon heel langzaam de ellende. Er werden voedselbonnen uitgegeven om het hamsteren tegen te gaan. Sint Maarten zingen voor de kinderen kon niet meer en vliegeren, dat wij voordien veel deden als wij uit school kwamen, werd ten strengste verboden. Een paar jongens uit de Kerkbuurt deden het toch, met het gevolg dat Duitse soldaten in Zaandam dachten dat er een parachute naar beneden was gekomen. Een paar Oostzaners moesten zich op het gemeentehuis melden. Als de parachutist zich niet meldde, zou het niet goed met ze aflopen. Gelukkig is alles in de minne geschikt, omdat de jongens zich hadden aangemeld.’

Er zijn tientallen koeien clandestien in Oostzaan geslacht en daarbij is er niemand gepakt

‘Bij het schaarser worden van het voedsel en vlees, begon men hier en daar clandestien te slachten. Dat ging vaak goed, maar soms ook niet. Zo werd bij de buurman een in bouten geslachte koe weggehaald en er liepen sporen door de sneeuw naar de andere buurman, waar de rest van de koe werd opgehaald. Zo heb ik verschillende keren zien gebeuren dat er vlees in beslag werd genomen. Maar, er zijn tientallen koeien clandestien in Oostzaan geslacht en daarbij is er niemand gepakt. De slachters werden vindingrijker en ze slachtten op verschillende plaatsen en ook vaak op een plat in het veld.’

‘Mijn vader heeft in die tijd diverse keren van een slachter een stel benen opgekocht voor het vet. Die benen werden in stukken gehakt en afgekookt en daar hield hij twaalf liter vet aan over. Het meeste werd verkocht en wij aten hele grote gehaktballen van het vlees wat aan de benen was blijven zitten.’

‘Je moest ook geluk hebben. Verderop had een buurman een varken in zijn kippenhok liggen, maar dat werd door de SD in beslag genomen, terwijl tien meter verder op ons erf twee varkens lagen die zich gelukkig stil hielden, zodat wij toch nog vlees in de kuip hadden. Dat kuipen deed mijn grootmoeder. Tegenwoordig heeft men een diepvries, maar die had je in de oorlog niet. Toen had je een grote Keulse pot en daar werd het vlees ingelegd met telkens een laag zout ertussen. Daarna een linnen lap er overheen met een plank en dan een steen erop. Zo werd het geconserveerd. Dat ging ook zo met onze sla en snijbonen en als men nog flessen kon kopen, werd er soms gewekt.’

“Als er suikerbieten waren, werden ze geraspt en in een grote wasketel gekookt. Het vocht dat overbleef werd ingekookt en in een stolpfles gedaan, waarin het versuikerde. Mijn zus en ik doopten er nog wel eens een vinger in. Dat was de enige zoetigheid die wij als kind kregen.’

‘Ja, die rot-oorlog was voor ons, als kind, niet leuk. Er wordt tegenwoordig geklaagd over vliegtuiglawaai. Maar in 1942 begon dat en in 1943 en 1944 werd het steeds erger, dat je ‘s nachts wakker werd van honderden vliegtuigen die overkwamen op weg naar Duitsland. Dan kwam dat zware afweergeschut dat in de Coenhaven stond opgesteld, er nog bij. Soms hoorde je de granaatscherven op de dakpannen vallen. Dan was je bang dat ze er doorheen zouden komen. Ik had een sigarenkistje vol met van die scherven. Die had ik uit de asbest golfplaten van de kippenhokken gehaald. Ze werden verzameld en soms namen wij ze mee naar school. Die herrie van overkomende vliegtuigen hoorde je vaak een paar nachten in de week. Later begon het ook overdag en kon je hele zwermen van wel dertig tot veertig tot een paar honderd vliegtuigen tegelijk zien overgaan.’

Maar de grootste angst was, dat ons huis geraakt zou worden door een aangeschoten vliegtuig of een lege brandstoftank. Daarvan zijn er verschillende in Oostzaan neergekomen. Achter de spoorlijn aan het einde van de Haal is op 3 mei 1943 een tweemotorige bommenwerper neergeschoten. De bemanning was op slag dood. Een maand of zes later, op ongeveer dezelfde plek, volgde een viermotorige zware bommenwerper. Vier van de vijf bemanningsleden hebben het overleefden en hebben zich overgegeven aan de Deutsche Wehrmacht.’

Ook werd de gevel van een woning in de Kerkstraat geraakt, waarbij mijn trainer van OKV (Oostzaanse Korfbal Vereniging), die in zijn bed lag te slapen, om het leven kwam

‘Er waren ook nachtelijke beschietingen door Duitse nachtjagers. En zo kon het gebeuren dat we ‘s morgens bij de Kerkbuurtschool kwamen en weer naar huis gestuurd werden, omdat de ramen eruit lagen en de voorgevel en sommige banken zwaar beschadigd waren door granaatscherven. Ook werd de gevel van een woning in de Kerkstraat geraakt, waarbij mijn trainer van OKV (Oostzaanse Korfbal Vereniging), die in zijn bed lag te slapen, om het leven kwam. Waarschijnlijk had het vliegtuig licht gezien door een lichtkap van de garage en daar op geschoten.’

‘In de oorlog moest iedereen verduisteren, zodat de geallieerde vliegtuigen vanuit de lucht niets konden herkennen. En waren de gordijnen niet afdoende, dan werd er met punaises zwart papier op de ramen vastgemaakt. Je mocht helemaal geen licht buiten zien en na achten ‘s avonds mocht je je niet meer op straat begeven. Zelfs de lampen op de fiets hadden een heel klein spleetje. Als de mensen nog een fiets hadden, want er zijn er heel wat in beslag genomen. De fietsen werden gebruikt voor het maken van wapentuig en het rubber van de banden had het Duitse leger nodig voor hun voertuigen en tanks.’

‘Moeder moest ook haar koperwerk inleveren. Dat was iedereen verplicht. Maar het mooie gaf zij echt niet af, hoor, dat dook wel ergens onder! Het koper hadden ze nodig in de Duitse oorlogsindustrie om kogels van te maken. Zo werd ook onze kerkklok uit de toren van Oostzaan weggenomen en via een schuin gespannen staaldraad naar beneden gehaald.’

‘Radio’s moesten worden ingeleverd, dus bracht mijn vader een oud barrel weg, dat nog bij ons op zolder stond. Het nieuwe toestel verborg hij op een vernuftige manier tussen het schot. Zo kon hij zo nu en dan Radio Oranje beluisteren. De meeste van die ingeleverde toestellen werden de Kerkbuurtschool binnen gebracht en door de Duitsers op de zolder van de school opgeslagen.’

‘Als kind hadden we in de oorlog geen fiets, want er waren geen banden. We hadden geen radio, geen televisie, geen snoep en de meesten hadden amper te eten. Maar vervelen, dat was er niet bij. We waren veel te druk met de voedselvoorziening, want alleen de gaarkeuken, die één keer per dag kwam, daar had een mens niet genoeg aan. Al was die van Oostzaan de slechtste niet, en helemaal niet als je van onder uit de ketel kreeg.’

Alle mannen van achttien jaar en ouder die hier geen werk hadden, moesten naar Duitsland om daar arbeid te verrichten in de fabrieken voor de oorlogsindustrie

Er was altijd iets te doen in de moestuin. Stroop koken, of vissen en eieren zoeken. Ik heb zelf nog een windmolen gemaakt met een fietsdynamo op de schuur en een lampje in de keuken. Maar het ene moment had je fel licht en het andere moment was het een gloeiende spijker. Er waren ook mensen die zaten om de beurt in de kamer op de fiets op een standaard om nog een beetje licht in de kamer te krijgen. Je zag ook een propeller met een autodynamo op het dak staan en een accu in huis. En die mensen hadden bij veel wind goed licht in hun woning.’

‘Alle mannen van achttien jaar en ouder die hier geen werk hadden, moesten naar Duitsland om daar arbeid te verrichten in de fabrieken voor de oorlogsindustrie. Degenen die daar geen zin in hadden, doken onder. Maar dan moest je de Moffen wel een slag voor zijn als ze weer eens hun razzia’s hielden. Dat deden ze ook ‘s nachts en als de situatie bedreigend werd, vluchtten veel Oostzaners het veld in.’

‘Mannen die in Oostzaan hun werk hadden, de bakker, de boer, die dus niet uitgekozen waren om naar Duitsland te gaan, moesten om de beurt in de toren van de kerk met een verrekijker wacht zitten, tot tien uur ‘s avonds. Zo moesten zij vliegtuigen waarnemen en in de gaten houden of er ergens iets gebeurde of dat er parachutes neerkwamen. ‘s Winters was het ‘stervenskoud’ daarboven, en helemaal als er een flinke wind stond.’

‘We hadden in Oostzaan een SS-burgemeester. Een rotvent eerste klas, die ik met getrokken pistool over de brug zag rennen, samen met SD-opsporingsambtenaren. Ze zaten achter twee clandestiene slachters aan. Eén wist nog gauw door slob en sloot te ontsnappen en belandde bij ons achter de kippenhokken, waar hij van mijn moeder droge kleren heeft gekregen. Hij kon nog net, wit van de schrik, naar huis gaan. Maar met de andere slachter liep het anders af. Die heeft weken in strafkamp Vught gezeten.’

‘Op een zekere ochtend, toen wij bij het Kerkplein kwamen, stond daar een groep kinderen bij een grote bloedplek te kijken. Wat was er gebeurd? De SS-burgemeester had zich ‘s avonds voor de kerk door zijn hoofd geschoten! Zijn vrouw was er met een ander vandoor gegaan en dat kon de foute burgemeester niet verwerken. Voor de rest van de oorlog kwam er een nieuwe en iets gematigder NSB-burgemeester.’

De Grüne Polizei hebben een keer uit pure narigheid een jol, die in de wegsloot van de Kerkstraat lag, met een handgranaat vernield

‘Het clandestiene slachten ging gewoon door. Er waren mannen en vrouwen die zich niet lieten afschrikken. Er werd streng gecontroleerd. Vandaar dat er vesten op het lichaam gedragen werden om het vlees onder te vervoeren. Of in zo’n grote ouderwetse kinderwagen. Het vlees onderin de bak en het kind er bovenop en dan met de wagen, door de veren op de assen, naar Zaandam. En dat twee keer op een dag. Gelukkig is het altijd goed afgelopen. Maar ook is er een met vlees volgeladen jol, met wat golfslag, midden in de ringvaart gezonken. Trouwens, de jol was voor ons in de oorlog onmisbaar. Daar konden we snel mee wegkomen. De Grüne Polizei hebben een keer uit pure narigheid een jol, die in de wegsloot van de Kerkstraat lag, met een handgranaat vernield.’

‘Het werd steeds moeilijker om aan brandbaar materiaal voor de kachel te komen en kolen werden niet meer aangevoerd. In de laatste oorlogswinter gingen we nog drie dagen naar school, alleen voor huiswerk. Er werd ons gevraagd om een turf mee te nemen voor de ergste kou en wij hielden onze jas aan. Na twee of drie uur gingen wij dan weer naar huis. Dat turf maken was ook een heel gedoe. Mijn vader had een stuk grond van vijf bij vijf meter met schotten van vijftig centimeter hoog afgezet. Op de grond werd wat stro gegooid en dan schepte hij het vol met rode veen, dat hij ergens in de Watering had opgebaggerd en met een plat naar huis had gebracht. Hij moest wel twee keer heen en weer varen om die bak vol te krijgen. Dan liet hij het een week indrogen en daarna werd het veen in stukken gesneden van twaalf bij twaalf centimeter. Dat kon hij alleen doen door brede planken onder zijn klompen te slaan, anders zakte hij erin weg. Daarna begon het werk voor mij, want die stukken moesten ook weer drogen en dat gebeurde bij ons op het dak van een kippenhok. Mijn vader legde vijf van die stukken op een plank en ik legde ze keurig in de rellen (de golven) van de golfplaat. Evenzogoed kwamen wij goed de winter door met wat hout van de grote populieren die op ons erf stonden. En in de zomer werd er gekookt op een noodkachel, die bovenop de ringen van de kachel stond. Daar maakte je kleine houtjes voor. Het brandhout werd steeds schaarser. Rond de polder stonden langs de dijk allemaal palen om de dijk te beschermen, kilometers lang. Die zijn allemaal verdwenen in kachels en hetzelfde gebeurde met de damhekken.’

‘Het was woensdagmiddag en het ijs lag dik op de sloten, zo ook op de Watering, waar wij met alle jongens van de Kerkstraat met een blikje en een zelfgemaakte hockeystick aan het ijshockeyen waren naast het oude kruidmagazijn. Plotseling hoorden wij daar binnen hamerslagen. Een aantal personen was begonnen met het slopen van de dikke zoldervloer. Het begon met een paar mannen en er kwamen er steeds meer, ook uit Zaandam. En toen je elke dag iets zag verdwijnen, eerst de zware luiken en toen de ramen. Toen ben ik ook maar begonnen. Ik kwam thuis met een grote buitenweegplank, een plank uit de houten buitenmuur van een huis, maar daar was mijn vader helemaal niet blij mee. Hij dacht meteen aan Duitse represailles en heeft de plank gauw in de vloer van het varkenshok verwerkt. Vijfentwintig jaar later was die plank nog klokgaaf!’

‘Ik mocht niks meer thuisbrengen, maar ik heb mijn buurjongen er wel mee geholpen. En op een zondagmorgen in 1944 was half Zaandam en Oostzaan bezig met slopen. Toen de grote, houten loods weg was, begon men aan het dak van de stenen gebouwen en heb ik gezien, dat er aan beide kanten van een dakspant werd gezaagd. En toen het naar beneden viel, stonden ze elk aan een eind te trekken en dat ging tot vechten toe. Aan de weg was geen stukje hout meer te bekennen. Er stond daar ook een grote waterput, helemaal betegeld van binnen en met kraak helder water er in. Daar heb ik, en velen met mij, een teil water gevuld en op een kar meegenomen, omdat de kraan in de laatste oorlogsjaren meestal geen water meer gaf.’

Dan zie je de zwarte rookpluimen en je hoort het doffe dreunende gerommel in de verte

‘Ja, in die oorlogsjaren was er altijd wat. Mijn vader verkocht geen olie meer, dat was niet meer te krijgen en hij moest woningen slopen in Petten en langs de hele kust voor de Organisation TODT (O.T.). Dat was een Duitse bouwmaatschappij, tijdens het bestaan van nazi-Duitsland. Toch zag hij nog kans om samen met zijn kameraden op de bakfiets, aardappelen en rogge uit de Wieringermeer te halen. Op een zondagmiddag begon het luchtalarm te huilen en even later verschenen er zeven jagers, waarvan drie Duitse en vier Engelse, die met elkaar in gevecht waren. Je kon het janken van de motoren en de boordkanonnen duidelijk horen. En als je dan ziet, dat twee van die vliegtuigen met piloot en al, brandend en met een zwarte rookpluim, naar beneden storten, dan is dat een ingrijpende ervaring voor een kind. Net als toen we op een mooie, zomermiddag in juli 1943 op de zanddijk in Landsmeer zaten en het luchtalarm weer begon. We konden nergens heen en even later verschenen er bommenwerpers aan de horizon en die lieten hun bommen op Amsterdam-Noord vallen. Dan zie je de zwarte rookpluimen en je hoort het doffe dreunende gerommel in de verte. Dan denk je aan die arme mensen die daar wonen!’

Wat mij ook altijd is bijgebleven, is het grote “beursen” (ouwenelen). Op de zomeravonden kwamen ploegjes mannen bij elkaar en dan stonden ze op de weg de stand van de oorlog te bespreken. Over de gebeurtenissen en wat er op de Engelse zender werd gezegd. Soms werd dat al voor achten afgebroken, want dan kreeg je spertijd en de Grüne Polizei controleerde of iedereen ‘s-avonds binnen was. Maar vaak ging het “beursen” achter de schuurtjes gewoon door. Dan zag de Kerkstraat, vanaf onze erker gezien, er geheel verlaten uit. Het enige wat je in de zomermaanden hoorde, waren de kikkers in de voorsloot. De leegte van de straat en het monotone gezang van die beesten, dat zijn dingen die je bij blijven.’

‘Ik ben nu tweeënnegentig, maar zo nu en dan komen er uit die tijd nog steeds allerlei beelden voor mijn ogen. De oorlogsjaren hebben op mijn jeugd een geweldige invloed gehad. Al is het alleen maar, dat je niet gauw iets weggooit, want je weet maar nooit…’

Goos Vonk en Sonja Duba

Na het slachten van de koe werden de in stukken gehakte of gezaagde onderdelen in jute zakken met de jol naar huis vervoerd.

Meer nieuws uit Oostzaan?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: