Van Oostzaan naar Amsterdam: eierhandel en havenleven rond de Schreierstoren

AMSTERDAM/OOSTZAAN - Komen en gaan bij de Schreierstoren in Amsterdam. Het miezerde die ochtend, toen een schuit uit Oostzaan het IJ afkwam, zwaarbeladen met kisten vol eieren. De roeiers hielden de boot voorzichtig in het rechte spoor, want de eieren moesten de stad ongeschonden bereiken. Eén flinke stoot tegen de wal en er konden honderden eieren in scherven breken. Voor de Schreierstoren legden ze aan. Zijn dikke muren herinnerden nog aan de tijd dat Amsterdam zich moest verdedigen, maar die dagen waren allang voorbij.
In de negentiende eeuw, was het rondom de toren een drukte van belang. Pakhuizen, loodsen en kades lagen er vol balen, tonnen en kisten. Schepen meerden er af en zeelui gingen daarna de stad in, richting de Zeedijk. Naar de kroegen en danskelders, waar ze hun gage in korte tijd verbrasten aan bier, jenever, kaartspel en soms meer. Er heerste veel bedrijvigheid door de handel van boeren en schippers, die er samen voor zorgden dat de stad gevoed bleef. Op de kade klonk het roepen van sjouwers, die de binnengekomen schepen losten.
De Oosterdokskade en het IJ waren in de negentiende eeuw nog drukke waterwegen, vol schepen die handel dreven op Engeland en de Oostzee. Boeren uit Oostzaan kwamen met schuiten vol melk, eieren en geslacht pluimvee. Voor hen was de toren een herkenningspunt, als ze via het IJ de stad binnenvoeren. Daar legden ze aan en daar begon de weg naar de markt.
De roeiers stapten nat en doorweekt uit de boot en maakten de touwen vast aan de kade. Aan de wal stond een voerman te wachten met zijn wagen. Twee forse paarden stonden ervoor te snuiven in de koude lucht.
“Zo, daor benne ze dan!”, riep hij, terwijl hij zijn handen tegen elkaar wreef om ze warm te krijgen. De voerman en de boeren uit Oostzaan waren bekenden, want op de vaste marktdagen troffen ze elkaar wel vaker bij de toren. Nadat de koop was gesloten, trokken de mannen het dekzeil van de vracht en tilden de kisten één voor één uit de schuit, waarna ze zorgvuldig achter op de wagen werden gestapeld. Toen de lading compleet was, pakte de voerman een dikke, wollen deken uit de bak. “‘t Is veuls te guur en te nat veur die knollen”, zei hij, terwijl hij de deken stevig over de paarden sloeg. De paarden schudden hun hoofd en trapten zachtjes met hun hoeven over de natgeregende klinkers. Hij stond bekend als een goeie menner en met losse teugels leidde hij zijn span door de drukte bij de Schreierstoren. Achter hem zwaaiden de mannen van de schuit nog even. Voor hen lag de terugtocht over het koude water naar Oostzaan.
Langzaam reed de wagen met de kostbare lading de stad in, terwijl de karrewielen kraakten over de glibberige kasseien. Toen hij bij de markt aankwam, werd de wagen opgewacht door de venters die hun kramen al hadden opgezet. Een van de koopvrouwen kwam naar hem toe, ze trok haar omslagdoek wat dichter om zich heen en tikte met haar vinger op een kist. “Wat hebbie d’r in, man?”
“Eieren, vrouw. Rechtstreeks uit Oostzaan, vers as ‘t maar ken.”
“En ze gaon niet kapot met dat gehobbel over die keien?”
De Voerman lachte, hij hield de teugels losjes in zijn hand en wees met zijn duim naar de kisten. “De paarden lopen rustig. Die kisten staon nog net zo strak as dat ze van de schuit af zijn gekomme.”
De koopvrouw schoof een deksel een stukje open en hield een ei omhoog tegen het licht. Ze knikte en zei: “Da’s ‘n goeie. Mooi glad, mooi bruin. Hier ken ik wel mee an de bak. Geef me d’r maor twee kissies en kom de andere week weer hoor, want de stad eet meer eieren dan ik ken berge.”
De voerman klopte zijn paarden zachtjes op de hals en zei: ”Maok je geen sorrege, vrouw. As de schuit vaort, dan ben ik d’r. Nah, de massel hè!”
Hij sloeg de teugels losjes over zijn knieën en de paarden zetten zich in beweging. En zo was de stad weer voorzien van eieren uit het dorp.
De Schreierstoren was in de negentiende eeuw niet langer een vesting, maar een plek waar de wereld samenkwam. Hier ontmoetten kooplieden, schippers en matrozen elkaar. In de toren waren kantoren en opslagruimten ingericht. Bovenin zat een rederij, waar jonge klerken met pen en inktpot de vrachtbrieven kopieerden. Een kaartenmaker hield er zijn werkplaats. Met een fijne penseel tekende hij zandbanken en vaargeulen in, want zonder goede kaart durfde geen schipper de Noordzee of de Zuiderzee over.
Oorspronkelijk heette hij Schreyhoeckstoren, verwijzend naar de scherpe hoek, waarop de toren in 1487 op de stadsmuur was gebouwd. Pas later kwam de naam Schreierstoren, toen men het verhaal van de huilende zeemansvrouwen erbij bedacht. Op de muur van de toren zit een gevelsteen uit 1569, met een schreiende vrouw, tegen de achtergrond van het IJ, met een wegvarend schip erop.
Die oude Middeleeuwse toren op de Prins Hendrikkade in Amsterdam staat daar al eeuwen. Handel, vertier, afscheid en weerzien zijn langs zijn dikke, verdedigingsmuren gegaan. Maar ook de Oostzaanse boeren, die hun kisten met eieren naar de stad brachten, zagen de toren als een baken. Deer heie Mokum!, moeten ze gedacht hebben.
Dat alles maakt de Schreierstoren tot een vaste wachter langs de waterkant en een vertrouwd symbool van de rijke geschiedenis van Amsterdam.
Sonja Duba






Meer nieuws uit Oostzaan?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie