De Hilwoning te Hoek van Holland: Een MoNUment in wording

Nieuws

In de rubriek ‘De Westlander en zijn moNUment’ staan karakteristieke en herkenbare bouwwerken in Westland centraal. Zowel het verleden als het heden worden in dít artikel kort belicht; vandaar ‘MoNUment’. Ook een internetversie van dit artikel is te lezen www.monumentaalwestland.nl (zoek op Westlandse monumenten) en op www.hethelewestland.nl (zoek op ‘monument’).

door Piet van der Valk

We schrijven dit keer over een pand dat ten onrechte nog geen enkele monumentale status kent en sinds 1914 slechts 60 meter buiten het Westland ligt. Het doelen op de hilwoning in Hoek van Holland. Na de bouw van de eerste Hilwoning in 1595 was het de meest zuidwestelijke woning van het Westland. Een hil is een hoge en veilige plek in het duinlandschap voor mens en dier. De woning werd gebouwd voor de duinmeier, dat was een opzichter die toezicht hield op het aanwezige vee en stropers. De opdrachtgever was het bestuur, bestaande uit de Dijkgraaf en de hoofdingelanden van de polder Nieuwland, genaamd Den Andel. Het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland liep in die tijd slechts tot aan de Maasdijk, pas na 1867/1868 komt Nieuwland, dus niet het gebied van Buiten-Nieuwland, onder verantwoording van het Hoogheemraad Delfland. De polder Buiten-Nieuwland wordt vanaf 1917 in een Naamloze Vennootschap N.V. omgezet, waar sinds 1952 de gemeente Rotterdam eigenaar van is. Naast het beheer van het nieuwe land was ook de ontginning en de exploitatie een belangrijke taak voor het polderbestuur. In deze tijd bestond het gebied, beneden het Nieuwland met z’n watermolen, uit gorsen, rauw land, met duinen, kreken, hier en daar een boom en een enkele visser of stroper, was onder invloed van eb en vloed en zout en zoet water. De watermolen loost nog steeds een deel van het overtollige regenwater van het Westland, via de Krimsloot, die als buffer dienst doet. Daarna gaat het water door een tweetal monumentale sluisjes, de kleine en de grote heul, voorzien van terugslagdeuren naar het Vloeigat in de Maas. Na 1872 werd dat de Nieuwe Waterweg. De deuren laten alleen water uit, bij opkomend water worden de deuren juist dichtgedrukt.

Haven
Bij de Hilwoning lag ook een provisorische haven die vanuit Maassluis voor o.a. de Vissers uit Ter Heijde bereikbaar was. Ter Heijde kende geen haven en de schepen konden daar niet veilig op het strand liggen, zeker bij storm en hoog water. Men voer dan via het Amersgat, nabij Maasluis via de grote Rel richting de Hilwoning. Er werd door de Dijkgraaf van Nieuwland, een overeenkomst gemaakt met het ‘Corpus der visserij van Ter Heyde’ over het gebruik en onderhoud van de Kulk van Nieuwland. Dergelijke overeenkomsten zijn vanaf 1414 tot begin 1600 bekend. Nadat de Oranjesluis in 1676 was gebouwd, kon het doorvaren niet meer plaatsvinden.

De huidige hilwoning
In 1780 liet de vader van Pieter van Geest, Marinus van Geest een tweede Hilwoning, een grote boerderij, bouwen. Deze kwam ca 10 meter ten zuiden van de eerste Hilwoning te staan. Dit was toen mogelijk omdat de polder inmiddels bedijkt was. Pieter was toen ca 4 jaar en heeft waarschijnlijk de eerste steen gelegd, die in de langsgevel aan de zuidzijde is aangebracht. De boerderij werd een gemengd bedrijf, landbouw op het Noordergors en veeteelt op het Zuidergors. Totaal ging het om ca 100 ha. Rond 1800 kocht een zeer welgestelde familie van Oosthuyse uit Den Haag veel land in het Nieuwland. De van Oosthuysens werden rijk in de handel van levensmiddelen, brandstoffen en kledij voor zowel het Franse als het Bataafse leger. De heer Petrus Jodocus van Oosthuyse geboren 21 mei 1763 te Meulebeke in België, was gehuwd met Margareta de Jongh geboren op 9 dec 1769 te Maassluis. Zij was de dochter van Adrianus de Jongh burgemeester van Maassluis en Cornelia Lucia Hansen. Petrus en Margareta kregen een dochter, Hendrica Petronella Veronica. Petrus J. ontvangt in 1816 in de Spaanse kerk aan het Westeinde in Den Haag de toekenning van het Super numeraire kruis van de koninklijke orde van Karel III van Spanje. Drie jaar later stierf hij op 17 december 1819 in Den Haag. Geen van de genoemde familieleden hebben ooit op de Hilwoning gewoond. Wel was hij vanaf 1809 een aantal jaar Dijkgraaf in het waterschap van het Nieuwland. Hij liet direct met zijn aantreden een gemetselde koepelkamer met rieten dak, als vergaderruimte, voor op het erf ten zuidoosten van de eerste Hilwoning bouwen. Hiermee is duidelijk dat ook de Hilwoning van het waterschap “Den Andel” was. De inwendige maten 5,2 meter breed, 7,50 lang en 4,5 meter hoog. De entree-gevel met voordeur en 2 vensters, de beide zijgevels recht en met elk 1 venster, maar de 4de gevel was de helft van een 8-hoek en die 4 vlakken hadden ook elk een fraai venster voor het daglicht en uitzicht over werkgebied. Het interieur was fraai afgewerkt. Uiteindelijk werd deze ruimte rond 1950 gesloopt wegens instortingsgevaar. Ook de 1ste Hilwoning werd 5 jaar later gesloopt. Pieter van Geest, weduwnaar van Neeltje Beekenkamp, kwam in 1851 te overlijden. Toen had Abraham Beekenkamp het pachtcontract al overgenomen en bleef tot 1860 op de boerderij.

De van Rijckevorsels
Jacobus Josephus van Rijckevorsel was geboren in Den Bosch op 8 februari 1785. Hij werd, nadat hij officier was geweest, medefirmant in de Rotterdamse wijnhandel van Van der Kun. Een naam die we hier ook als Dijkgraaf van 1860 tot 1862 tegenkwamen. Vervolgens huwde hij op 16 januari 1811 in Rijswijk de enige dochter van zijn medefirmant, Catharina Valentina. Zij was geboren 26 juni 1792 maar zij kwam helaas jong te overlijden op 14 maart 1813. Zij kregen een dochter Louise Paulina Cornelia Clasina van Rijckevorsel, geboren 6 december 1811 te Rotterdam. Hij hertrouwt dan op 15 september 1814 met hierboven genoemde dochter Hendrica Petronella Veronica van Oosthuyse. Hendrica zag het levenslicht op 24 september 1793, maar ook zij overlijdt vrij jong op 6 december 1829. Als huwelijkscadeau ontvingen zij landerijen in het Staelduin. Het paar krijgt nog 6 kinderen, maar zijn vrouw Hendrica overlijdt enige dagen na de bevalling van de jongste zoon Cornelis. Jacobus Josephus werd lid van de Rotterdamse gemeenteraad, de Provinciale Staten van Zuid Holland en lid van de Tweede Kamer in Den Haag. In 1831 werd hij in de Adelstand verheven en ontving de titel Jonkheer, enige tijd later de titel Baron, hij overleed op 10 april 1862. De ongehuwde zoon van Jacobus Josephus en Hendrica, Augustinus Josephus Aloysius (A.J.A.) van Rijckevorsel, regelde al langer de voorkomende zakelijkheden voor de familie. Niet alleen voor z’n oma, de weduwe van Oosthuyse, die 27 november 1846 kwam te overlijden, maar voor z’n pa. Hij vervulde 3 termijnen als Dijkgraaf van ‘Den Andel’ en was ook als de administrateur van het R.K. parochiaal armbestuur van Rotterdam benoemd, ook zij hadden ook eigendom in de polder. Hij werd ook de ontginner van het Staelduin, het eerder genoemde huwelijkscadeau van z’n ouders. Het noordelijk deel werd bebost en het zuidelijk gedeelte afgezand, gevlakt, voorzien van sloten en in cultuur gebracht. Het land werd verpacht, aan katholieke families, waar de van Rijckevorsels veel voor deden. Zo bouwden zij de bekende Rijckevorselhuizen en het St. Lambertuskerkje aan de Heenweg, maar daarover meer in een van volgende afleveringen. Personen en/of instellingen die grondbezit in Buiten-Nieuwland hadden verworven, vormden gezamenlijk het bestuur van het gebied in de functie van Dijkgraaf en Hoofdingelanden. Op deze manier komen de namen van Van Oosthuyse, van Rijckevorsel, vertegenwoordigers van het R.K. parochiaal armbestuur van Rotterdam en anderen vaak nog tegen. Ze waren dus gezamenlijk eigenaar en de verpachter van het land in Buiten-Nieuwland en dus ook van de Hilwoning.

Nieuwe pachters voor de Hilwoning
In 1860 werd Elise Huysman de nieuwe pachter van de Hilwoning, hij was geboren op 15 februari 1824 en was gehuwd met Elisabeth van Staalduinen geboren op 21 juni 1828. A.J.A. van Rijckevorsel laat de stal in 1861, als bestuurslid van de polder, opknappen en verlengen. De familie blijft tot 1900 en vertrok toen naar Zoetermeer waar Elise op 31 juli 1904, overleed. De ongehuwde jongste zoon Johannes zette zich in om z’n vader zo goed mogelijk te helpen gedurende de laatste 10 jaren op de Hilwoning, hij was de gedoodverfde opvolger van z’n pa, maar overleed in 1898 aan malaria. Na deze Huysmannen kwam de familie van Theodorus (Dirk) Duindam, geboren op 11 feb 1873 en gehuwd met Jacoba Maria (Co) Reincke geboren op 12 dec 1878. Zij pachtten van 1900 tot 1934. Dirk en Co kregen daar een kinderrijke gezin, 7 jongens en 7 meisjes. Reeds eerder 1921 kocht Theodorus enkele boerderijen in Kwintsheul. Zo komen o.a. de zonen Wilhelmus Johannes en Theodorus Duindam op de boerderij aan de Middel Broekweg en sluit verder aan op het eerdere artikel van 29 april van dit jaar over het Streekmuseum te Honselersdijk. In 1914 was Hoek van Holland onder het bestuur van Rotterdam gekomen.

Nico en Magda Sosef
Nadat de Duindammen vertrokken, werd het complex vanaf 1935 verpacht aan de familie van Piet Noordam. De verwachting dat verpachter het achterstallige onderhoud in de eerste 5 jaar zou inlopen bleef uit. Maar vanaf 1941 gaat de pacht van het complex wel conform afspraken van fl. 3.500 naar fl. 4.000. Noodzakelijk onderhoud bleef een zwak punt. Uiteindelijk kwam de boerderij dus in bezit van de gemeente Rotterdam. Maar ook de gemeente verzaakte in het onderhoud en de boerderij verviel steeds meer, totdat in 1982 een deel van het dak naar beneden kwam. Piet Noordam bleef al die tijd pachter van de Hilwoning. De gemeente Rotterdam was in die tijd in een heftige discussie met de bevolking gewikkeld, over het vestigen van een afkickcentrum in de Hilwoning. Na verschillende dreigementen koos de gemeente eieren voor haar geld en zo kwam de Hilwoning in 1984 in handen van Nic en Magda Sosef-Vijverberg. Er brak weer een opbouwende tijd aan, voor de Hilwoning en er werd veel gerestaureerd, leefbaar gemaakt en zelfs bijgebouwd, zoals een nieuwe Koepelkamer. Deze werd in tegenstelling tot eerste exemplaar zuidelijker in het verlengde van de boerderij gebouwd. Niet op de hil, maar wel in een echte 8-hoekige vorm, met rieten kap en een goed passend interieur. De verhalen die we van Nic vernamen en de activiteiten die beiden hebben ontwikkeld, passen meer in een boekvorm dan in een toevallige maandelijks artikel van deze krant. De totale uitstraling van de boerderij in haar nieuwe omgeving zonder land en de benutting van de tuin maken het tot een juweel, het perfecte ‘Buiten’ waar het, goed leven is.

Wilt u reageren op dit artikel, omdat u een aanvulling heeft of omdat u ook bezitter of bewoner van een monument bent en u wilt uw verhaal doen in ‘De Westlander en zijn MoNUment’ mail dan naar pamvdvalk@gmail.com. Deze rubriek kwam tot stand in samenwerking met de monumentencommissie van de gemeente Westland. Bronnen: Gerard Beier van het historisch archief Westland, het internet, het boek van ‘Schilders van het Westland’ pag. 14 en het archief van de familie Sosef.

Meer nieuws uit Westland?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: