Amsterdamse Schoolarchitectuur in Amsterdam-Noord

NOORD - Dirk Roos is gepensioneerd heeft grote belangstelling voor de Amsterdamse School architectuur in Noord. Deze zomer belicht hij elke week een buurt waar veel kenmerken zijn te vinden. Deze week begint hij met een inleiding.
Dirk Roos (vrijwilliger Historisch Centrum Amsterdam-Noord)
Als inwoner van Amsterdam-Noord sinds 1968 en als bewonderaar van de architectuur van de Amsterdamse School vroeg ik mij al langer af waarom er zich in dit deel van Amsterdam zo op het oog betrekkelijk weinig gebouwen in deze stijl bevinden. Onderzoek bij museum Het Schip, in boeken en op internet, maar vooral op de fiets, heeft mij geleerd dat het oog bedriegt: deze gebouwen zijn er wel maar je moet ze goed zoeken, en het heeft ook een reden dat ze niet zo opvallen. Het heeft allemaal te maken met het tijdvak waarin deze gebouwen tot stand kwamen, met de aanleg van tuinsteden in Noord en met de gedrevenheid van enkele stadsbestuurders. Om anderen te laten meegenieten van deze inzichten, en vooral om te wijzen waar in Noord deze pareltjes te vinden zijn, heb ik dit verhaal geschreven. In de komende vijf afleveringen van het Nieuwsblad Amsterdam-Noord kunt u dit lezen. Ik begin met een inleiding over de Amsterdamse School en over de tuinsteden in Noord.
Fraaie gevelvlakken
De architectuur van de Amsterdamse School is wereldberoemd. Iedereen kent de prachtig gewelfde gebouwen van De Dageraad in Amsterdam-Zuid en Het Schip in de Spaarndammerbuurt. Overal vind je gebouwen in deze stijl, met fraaie gevelvlakken, raampartijen, versierde deuringangen, gedecoreerde hoekfronten en kunstig smeedwerk. Tussen 1910 en 1930 is deze stijl tot ontwikkeling gekomen als reactie op het Zakelijk en Functioneel bouwen door beroemdheden als Hendrik Berlage (1856-1934), die onder andere de Beurs op het Damrak heeft ontworpen.
Jonge architecten, zoals Michel de Klerk (1884-1923), Piet Kramer (1881-1961) en Jo van der Mey (1878-1949) kregen de kans hun nieuwe ideeën uit te voeren, en het Scheepvaarthuis op de Prins Hendrikkade is daarvan in 1913 een eerste, uitbundig toonbeeld. Door de hele stad en daarbuiten verschenen gebouwen met ‘Amsterdamse School’-elementen, mede dankzij de Woningwet van 1901 en de aanvullende zogenaamde ‘Woningnoodwet’ van 1915. Die stimuleerden de bouw van woningen door financiële leningen van de overheid aan gemeenten en woningbouwcorporaties. En dat was hard nodig, want in het centrum van Amsterdam stonden toen nog steeds veel krotten en kelderwoningen. De enorme woningnood was mede het gevolg van de toevloed van nieuwe bewoners die afkwamen op werk in de industrie en de handel.
Regentesseklasse
Het politieke klimaat was gunstig voor het jonge elan. De oude regentenklasse verloor steeds meer macht. De gegoede burgerij en middenstand kregen in 1848 stemrecht, en dit werd nadien stapsgewijs uitgebreid tot algemeen kiesrecht voor mannen in 1917. Vanaf 1919 mochten ook vrouwen stemmen en deel gaan uitmaken van het bestuur. Socialistische partijen pakten de stedelijke problemen op. Wethouder Floor Wibaut (1859-1936) van de Sociaal-democratische Arbeiders Partij (SDAP) wilde betere woningen voor arbeiders. Wijken als de Pijp, gebouwd door particuliere partijen, voldeden niet aan wat hij voor ogen had. Wibaut richtte in 1915 een gemeentelijke woningdienst op, en dat gaf in Amsterdam het woningbeleid een grote impuls. Zijn zwager Arie Keppler (1876-1941) werd hoofd van die stedelijke Woningdienst, met als doel het ontwikkelen van nieuwe woonwijken met goede huizen, betaalbare huren en goede buurtvoorzieningen. Geen kerken of kroegen, maar winkels, buurthuizen, badhuizen, scholen, kinderbewaarplaatsen, medische hulpposten, politie- en brandweerposten, en ook stadsparken en bibliotheken. Deze duidelijk socialistische inslag werd voortgezet door wethouder Monne de Miranda (1875-1942) en paste bij het ideaal van de jonge architecten en kunstenaars van de Amsterdamse School. Die waren daarom ook favoriet bij de gemeentelijke opdrachtgevers, Arie Keppler voorop. Hij gaf bouwopdrachten via de Dienst Publieke Werken. Hij was ook voorzitter van de Schoonheidscommissie, en hij kon zodoende ook particuliere woningbouwcorporaties richting de Amsterdamse Schoolstijl sturen.
Veel openbaar groen
Maar waar te bouwen? Eigenlijk was er begin twintigste eeuw maar één mogelijkheid voor grootschalige uitbreiding van de stad, en die lag aan de overkant van het IJ. Daar was ruimte en daar waren de grondprijzen nog laag. Zowel particuliere woningbouwcorporaties als de gemeente gingen daar aan de slag volgens het idee van tuinsteden: laagbouw met veel openbaar groen, en huizen met een eigen tuintje. Dit concept is eind 19e eeuw in Engeland ontwikkeld door Ebenezer Howard (1850-1928), met als eerste voorbeelden Letchworth en Welwyn in 1898. In Amsterdam-Noord werd eerst de Nieuwendammerham ontwikkeld, het zuidelijk deel van de Vogelbuurt in 1910-1918, het noordelijk deel in 1916-1923. Daarna verscheen in de Buiksloterham de Van der Pekbuurt (1919-1926), en in IJ-polder VIII werd voordijks van de Waterlandse Zeedijk Tuindorp Oostzaan (1922-1925) gebouwd. Daarna volgden Tuindorp Nieuwendam (1926-1927), Tuindorp Buiksloterham met de Bloemenbuurt (1927-1930) en Floradorp (1930-1933), en tenslotte Tuindorp Buiksloot (het Blauwe Zand) in 1930-1932.
Twee woonlagen
In Noord zijn helaas geen grote opvallende gebouwen in de stijl van de Amsterdamse School te vinden. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het concept van de tuinsteden: niet hoger bouwen dan twee woonlagen. Is de eerste laag een winkel, dan ook hoogstens twee woonlagen daar bovenop. Wellicht heeft de eenvoud van de toekomstige bewoners (veel industrie-arbeiders) ook een rol gespeeld: die konden geen hoge huren betalen.
In Noord is ook de versiering van de gebouwen soberder dan “in de stad”. Berlage verfraaide zijn creaties door essentiële details te benadrukken – versiering was bij hem functioneel. De jonge architecten van de Amsterdamse School daarentegen gaven volop uitdrukking aan hun kunstenaarschap door ronde vormen, fraaie schoorstenen, mooie deurportalen, laddervensters, en gevarieerd gebruik van verschillende soorten baksteen. Deze architecten werkten vaak samen met beeldhouwers. De bekendste van hen is Hildo Krop (1884-1970), die in de stad schitterende beelden heeft gemaakt op huizen, scholen, bruggen en overheidsgebouwen. Van hem vinden we gelukkig ook enkele kunstwerken in Noord.
Elementen
Na 1920 raakte het geld voor verfraaiingen op: de Eerste Wereldoorlog had ook in Nederland zijn tol geëist. De opdrachten in de stijl van de Amsterdamse School namen af, want soberder is goedkoper. Dus hoe later een tuindorp is gebouwd, hoe minder Amsterdamse School elementen daar zijn terug te vinden.
Opvallend is dat er wel enkele indrukwekkende schoolgebouwen in de Amsterdamse Schoolstijl te vinden zijn in Noord, die door hun omvang en fraaie vormgeving nog steeds ontzag afdwingen. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat de bouwopdrachten en ontwerpen hiervoor rechtstreeks van de Gemeente Amsterdam kwamen, en hoogbouw niet nodig was. Deze Lager- en Middelbaar Onderwijsscholen werden vaak in tandem gebouwd: twee scholen in een geschakeld gebouw. Om een paar te noemen: de Lavendel- en Papaverschool (met prachtig trappenhuis) in de Papaverhoek, de Reseda- en Wingerdschool aan de Wingerdweg (met vele beeldjes van Hildo Krop en opnieuw prachtige trapdecoratie), de Boterbloem en Beijerlandschool in de Beijerlandstraat (ook weer met beeldjes van Hildo Krop), de Wognum- en Jan van Nassauschool aan het Wognumerplantsoen (met wederom heel mooi trappenhuis), de Purmerschool aan de Schermerweg (opnieuw gedecoreerd door Hildo Krop), en in tuindorp Oostzaan de Prinses Julianaschool (aan de Meteorensingel), de Meteoren- en Aldebaranschool (aan het Aldebaranplein; herbouwd na brand), de Zonneweg- en Copernicusschool (Kometensingel 52-54) en de Wilde Wingerdschool (Kometensingel 189, ook hier prachtig trappenhuis). Sommige van deze scholen, gebouwd tusen 1924 en 1934, zijn nog steeds als school in gebruik, andere hebben een bedrijfsmatige functie gekregen.
In de volgende aflevering ga ik meer in op detail op de gebouwen in de Bloemenbuurt, daarna op die in de Vogelbuurt, en vervolgens rond het Purmerplein en tenslotte in Tuindorp Oostzaan.
Literatuur:
Casciato, Maristella; De Amsterdamse School (serie Architectuur dl. 6), 010, Rotterdam, 1991
Smit, Frank; Arie Keppler. Woninghervormer in hart en nieren,Thoth, Bussum, 2001







Meer nieuws uit Amsterdam-Noord?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie