Gezin van Frans Kersbergen raakte in de oorlog dakloos na inslag V1 op Schenkweg

Nieuws
Frans Kersbergen was één van de genodigden bij de opening van de expositie 'De herinnering blijft…'
Frans Kersbergen was één van de genodigden bij de opening van de expositie 'De herinnering blijft…' (Foto: Rianne Dekker)

Woensdag 19 februari werd de expositie ‘De herinnering blijft…’ geopend in het MN gebouw aan de Prinses Beatrixlaan 15. Dit gebeurde met de onthulling van een stolp, waaronder op een kaart met gekleurde pinnen was aangegeven waar in Bezuidenhout de bommen van de geallieerden waren gevallen op 3 maart 1945. Eén van de genodigden voor het uitvoeren van de officiële handeling was Frans Kersbergen.

Door Rianne Dekker

Hoewel Frans officieel een ooggetuige is, kan hij zich zelf niets meer van die dag herinneren. De nu 84-jarige was pas 4 jaar oud en heeft de verhalen van toen volgens overlevering. En eigenlijk trof het noodlot zijn familie al een dag eerder. “Wij zijn ons huis niet kwijtgeraakt door het bombardement op die bewuste 3 maart. De dag ervoor viel er een V1 op de Schenkweg, waar we toen woonden. Mijn vader was op dat moment bij een vriend, bakker Zaat in de Binckhorststraat, wiens huis in brand stond. Toen werd hem gezegd: ”Nico, je moet naar huis want je eigen huis staat ook in brand! Het hele huis is afgebrand, op één kamertje na. Hier had mijn moeder bontjassen opgeslagen van een Joodse dame waarvoor ze had gewerkt. Mevrouw Vd. Havel had voor ze met haar familie naar Amerika vluchtte aan mijn moeder gevraagd of ze haar bontjassen bij ons thuis in het achterkamertje wilde opslaan. Dat kamertje is dus bewaard gebleven en mijn moeder heeft de jassen na de oorlog netjes teruggebracht!”

Lopen naar Papekop

Op het moment dat de familie Kersbergen ontheemd raakte door toedoen van de V1 raket, bestond het gezin uit vader, moeder, een zoon van 18 die uit angst voor tewerkstelling in Duitsland naar Drenthe was gevlucht, dochter Toos van 15, zoon Ben van 12 en zoon Frans van 4. Eerder, in 1944, was een zoon overleden. Prioriteit was het vinden van een huis. Met een groot gezin was dat extra moeilijk en daarom werden Toos en Ben naar een boer in Papekop bij Oudewater gestuurd. “Hier had mijn vader eerder op de fiets eten gehaald. Ik ging dan wel eens mee en dan zat ik bij mijn vader achterop bovenop een kaas. Mijn broer en zus werden naar het spoor gebracht en kregen de opdracht: “Loop maar naar Papekop!” Ze kregen een half witbrood in hun handen en daar gingen ze. En mijn ouders konden ook niet controleren of ze aangekomen waren, want je had geen telefoon. Het was heel wat voor mijn vader en moeder. Een kind in Drenthe, twee bij Oudewater, en één overleden. Alleen ik woonde nog bij hen. Mijn broer in Drenthe zagen ze pas anderhalf jaar na de oorlog terug!” 

Woningnood

“Mijn ouders hebben me altijd goed weggehouden van de ellende”, aldus de vitale tachtiger. “We gingen een tijdje wonen bij een tante op de Trekweg, en daarna zijn we met paard en wagen van een boer uit Mariahoeve verhuisd naar een huis, waar alleen een tafel en vier stoelen stonden. Er woonde nog een man alleen in, ik geloof dat hij ome Jan werd genoemd. Die is nog een jaar samen met ons in dat huis blijven wonen. Ja, toen was er ook woningnood. En je had niks. Om geld te genereren had mijn moeder een werkhuisje in Wassenaar. Dan was ze om vier uur ’s middags thuis en ging ze eten klaarmaken. Na het eten deed ze even tien minuten haar ogen dicht en ging dan werken bij een cateringbedrijf.”

Dankbaar

Frans, die zijn hele leven in Bezuidenhout is blijven wonen, is dankbaar dat zijn en vele andere verhalen levendig worden gehouden door een expositie als deze, die nog te zien is tot 15 mei.

Meer nieuws uit Den Haag?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: