
LANDSMEER - In het begin van de vorige eeuw openden kleine sigarenwinkeltjes hun deuren. Wie daar binnenstapte kwam in een wereld van rust en vakmanschap terecht. In Landsmeer stond een sigarenwinkeltje op de hoek van de Raadhuisstraat en de Dorpsstraat.
Eerst was er een pakhuis van Albert Goede senior, met de bijnaam ‘Poertje’, gevestigd. In de oorlog heeft de vader van Frans Poulain in het pakhuis clandestien geslacht voor de onderduikers en na de oorlog werd het pand gesloopt. Cornelis Derlagen, geboren in Oostzaan op 22 april 1906 en gehuwd op 28 september 1933 te Landsmeer met Aaltje Tump, geboren in Oostzaan op 13 juni 1909, liet er een sigarenwinkel bouwen met woonhuis.
Een sigarenwinkeltje in een dorp had een heel eigen karakter. Een bescheiden raam met daarachter een paar lege, houten sigaren kistjes en een emaillen bord van een bekend merk als Willem II of Hofnar. In de omgebouwde voorkamer hing de overweldigende geur van zware tabak en op de planken stonden houten tabaksvaatjes en tabakspotten van aardewerk. Langs de wand, hoog opgestapeld, stonden cederhouten sigarenkistjes met kleurrijke etiketten. Die geurende houten kistjes waren de trots van de winkelier en de paradepaardjes van de winkel.
Vertrouwenspersoon
De keuze van de tabak bepaalde wie je was. De boeren haalden hier hun wekelijkse rantsoen pruimtabak. Ze kochten vaak dikke, in stroop gedoopte tabakskarotten of strengen. Ze lieten hun klompen buiten staan en spuugden een straaltje bruin sap in een kwispedoor bij de deur. De winkelier stond achter een eikenhouten toonbank en terwijl hij de afgesneden streng pruimtabak zorgvuldig op een koperen weegschaaltje afwoog, werden de eierprijzen en de stand van het water in de polder besproken. De winkelier luisterde meer dan hij sprak, hij was een vertrouwenspersoon.
Pruimtabak was ideaal
Pruimtabak was ideaal omdat men de handen vrij moest houden en roken in de buurt van hooi en stro levensgevaarlijk was vanwege brandgevaar. Een flinke pruim in de wang hield de boer scherp tijdens het melken of hooien. Pijptabak kocht hij voor als het werk erop zat. Zijn houten of stenen pijp rookte hij voor de rust. Vaak nam hij een eigen tabaksdoos mee (van koper of blik) die door de winkelier werd bijgevuld uit de grote aardewerken potten. Dat scheelde weer verpakkingskosten.
Barnstenen pijpje
Cornelis Tump, de vader van Grietje Tump, was in het bezit van een barnstenen pijpje met een gouden plaatje erop, dat hij op een dag was kwijtgeraakt. Omdat hij aan iedereen die hij tegenkwam vroeg: “Hebbe jullie me pijp nog zien?” “Hebbe jullie me pijp nog vonden?” kreeg hij uiteindelijk de bijnaam “Pijpeland” toebedeeld.
Sigaren waren voor de notabelen in het dorp, de burgemeester, de notaris, de dominee, de dokter of handelaren die zaken deden in de eierhandel. De sigaar stond voor aanzien en de rijke burgerij liet hiermee zien dat ze het goed hadden. Voor de heren die direct hun sigaar wilden aansteken, brandde er een klein gas pitje, of er stond een luciferhouder op de toonbank. Na de eerste haal bleef de blauwe rook als een dikke waas in de lucht hangen, waarna deze langzaam omhoog kringelde naar de donkere zoldering.
‘In zijn goeie pak’
Ook de gewone boer kocht soms één of twee losse sigaren, die de winkelier hem uit een houten kistje aanbood. Maar dan uitsluitend voor de zondag wanneer hij ‘in zijn goeie pak’ naar de kerk ging of zijn familie een bezoek bracht.
In die tijd rookten de mannen vrijwel allemaal een pijp of sigaren. En er werd gepruimd en tabak gesnoven. Maar het veranderde, de jeugd van toen begon de pijp van hun vader ouderwets te vinden, de sigaret werd het symbool van de moderne tijd. Vanaf de jaren twintig staken bovendien ook vrouwen steeds vaker een sigaretje op.
Sigarenbekers
In het winkeltje in Landsmeer werden naast tabaksartikelen accessoires verkocht, asbakken, aanstekers, mooie pijpen en sigarenbekers van kristal of glas, voor als er visite kwam. Gevuld met sigaren werden de bekers op tafel gezet. De meest luxueuze exemplaren hadden zelfs de vorm van een hoorn des overvloeds en waren het pronkstuk van de kamer.
De sigaar was niet enkel een symbool van welstand en succes, maar straalde ook rust en macht uit. Denk maar aan de iconische, dikke sigaar van Winston Churchill.
‘t is geen man die niet roken kan’, dat stond vroeger wel eens op een asbak. Jongens kregen vaak hun eerste sigaar van hun vader of opa, als teken dat ze nu ‘man’ waren.
Sigaret populairder dan pijp
Pas na de tweede wereldoorlog (door de Amerikaanse bevrijders met hun Lucky Strike en Camel) werd de sigaret definitief populairder dan de pijp en de sigaar. Roken was ‘in’!
In de jaren zestig veranderde de rookcultuur. De sigaar werd steeds meer gezien als iets voor de oudere heer, terwijl de jeugd en vrouwen massaal overstapten op shag en de moderne filtersigaret. Er kwamen sigarettenautomaten aan de gevel en je had ook automaten met rolletjes drop erin. Binnen kon je de voetbalpool inleveren en Staatsloten kopen. Hoewel er nog volop werd gerookt, verschenen in de jaren zestig de eerste rapporten over de schadelijkheid van roken.
Einde aan de rookbranche
Nadat Cornelis en Aaltje Derlagen beiden waren overleden, werd de winkel overgenomen door Nauta. Maar langzaam kwam er een einde aan de rookbranche en het verdwijnen van de sigarenwinkeltjes in dorpen als Landsmeer, verliep in fasen. Nu is het een Italiaans afhaalrestaurant en het staat op de nominatie om te worden gesloopt voor de bouw van appartementen.
In dat oude sigarenwinkeltje, op de hoek van de Raadhuisstraat en de Dorpsstraat, rook je een mix van zware tabak en dat typische, frisse cederhout van de kistjes, waarin de sigaar haar geur zo goed behield. Maar alleen wie het nog heeft meegemaakt, ruikt in gedachten het vertrouwde aroma van vroeger dat nu voorgoed uit de winkelstraat is verdwenen.
Sonja Duba en Frans Poulain






Meer nieuws uit Landsmeer?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie