
LANDSMEER - Vroeger was de lokale smid vaak tevens de kachelspecialist. Zo ook in Landsmeer. In het voormalige weeshuis aan de Dorpsstraat begon Simon Horstman, de vader van Jan Horstman, op 3 januari 1893 een smederij. Als hoef-en kachelsmid besloeg hij daar paarden en klonk hij kachelpijpen nog eigenhandig aan elkaar.
De zwarte, gietijzeren kolenkacheltjes van vroeger waren vaak het knusse middelpunt van de woonkamer. Naast de warmte zorgde het flakkerende vuur achter de hittebestendige mica-ruitjes voor gezelligheid. Het kleine zwarte kacheltje straalde een intense hitte uit die je alleen voelde als je er vlak bij zat. Dan begon je gezicht gewoon te gloeien, zeker als je net uit de kou kwam.
Er werd met antraciet, dat uit de mijn kwam, gestookt of met goedkopere eierkolen, die van de fabriek kwamen. De as werd opgevangen in een asla, die iedere ochtend geleegd moest worden. Maar wel voorzichtig, want bij de minste of geringste tocht dwarrelde er een grijze aswolk door de pas gepoetste kamer en dan kon je weer opnieuw beginnen.
Naast de kachel stond de kolenkit
De kolenkachel stond op een metalen kachelplaat om de vloer te beschermen tegen gloeiende kooltjes en naast de kachel stond de kolenkit. Hiermee werden de kolen vanuit het kolenhok buiten of in de schuur naar binnen gehaald en direct in de kachel gekieperd. Maar behoedzaam, want als je de kolen te hard liet vallen, stoof het fijne kolengruis alle kanten op. Bij de kachel stond ook een haardstel. Een pook om de kolen in het vuur op te porren. Een tang om gloeiende kooltjes te verplaatsen. Een kolenschopje voor het opruimen van kooltjes of as en een vegertje om gemorste as weg te vegen.
Hoewel het dagelijkse gesjouw met de kolenkit en het legen van de asla een flinke klus was, bracht het knisperende vuur achter de ruitjes, meteen de nodige rust. Het kacheltje was de enige bron van warmte in de kamer en als de kou door de kieren van het huis kroop, schoven de bewoners hun stoelen steeds dichterbij, tot ze er in een kring omheen zaten.
Na zeven uur ‘s avonds werd er niet meer gestookt en van de warme kamer ging je direct de vrieskou van de slaapkamer in. Dan viel je rillend in slaap onder die loodzware wollen dekens.
De ketel met water stond zachtjes te zingen
Op de bovenplaat stond een ketel met water zachtjes te zingen, zodat er de hele dag heet water was voor de thee of de afwas. De kachel werd ook gebruikt om stoofpotjes urenlang te laten sudderen of om een pan eten warm te houden.
In de winter, als de kachel goed brandde, werd er een houten rek met vochtig wasgoed omheen gezet. Dat was de enige manier om de was droog te krijgen. Zware gietijzeren strijkijzers werden op de bovenplaat gezet en zodra de bout heet genoeg was, kon je strijken. Er waren er vaak twee: één om te strijken en één die ondertussen opwarmde op de kachel.
Om de kachel mooi zwart te houden werd het gietijzer stevig ingesmeerd met ‘kachelpoets’ en daarna met een wollen doek opgewreven. Het roet werd voorzichtig, met een vochtig lapje, van de mica-ruitjes geveegd, zodat de dansende vlammetjes goed zichtbaar waren. Zo was het kacheltje altijd een glanzend pronkstuk in de kamer.
Kachelpijp dicht gepropt tegen roet en tocht
In oktober werd de kachel aangestoken en begin april ging hij weer uit. Dan werd hij opgeborgen in de kast tussen de bedsteden, terwijl de kachelpijp met kranten werd dicht gepropt tegen het roet en de tocht.
Het gewone onderhoud werd zelf gedaan, maar voor het grotere werk kwam er een smid aan te pas. Want vroeger was de lokale smid vaak ook de kachelspecialist. En in Landsmeer was de smederij gevestigd in het voormalige weeshuis aan de Dorpsstraat 53.
Het weeshuis werd in 1878 verkocht aan de timmerman Jan Levendig, die het in 1879 verkocht aan de smid Helmond. Op 3 januari 1893 werd het pand aan de Dorpsstraat 53 in Landsmeer eigendom van de smid Simon Horstman, de vader van Jan Horstman.
Naast het beslaan van paarden en het aaneenklinken van kachelpijpen smeedde hij handige kolenzeven, waarmee de onverbrande kooltjes zorgvuldig uit de as werden gezeefd en rechtstreeks het vuur weer ingingen. En als de pook versleten was, maakte hij het uiteinde in het smidsvuur gloeiend heet en sloeg de punt op het aambeeld weer plat. Zo werd de punt breder en scherper, zodat je weer goed tussen de kolen kon porren.
Jan Horstman heeft de smederij voortgezet
Daarnaast maakte hij damhekken en repareerde hij landbouwwerktuigen. Zijn zoon Jan Horstman heeft de smederij voortgezet. Omdat het alsmaar drukker werd en Jan wel een hulpje kon gebruiken, kwam zijn neef Ernst Rijswijk als twaalfjarige jongen in het bedrijf. Eerst als knecht en later als medefirmant. Toen werd het de firma Horstman en Rijswijk.
Van Ome Jan heeft Ernst het vak van kachelsmid geleerd. Het schoonmaken en repareren van kolenkachels, vervangen van het binnenwerk, repareren van scheuren en zo nodig het zorgvuldig vervangen van de broze mica-ruitjes. Ome Jan haalde de kachels met de bakfiets op en bracht ze weer terug naar de klanten.
De eerste gaskachels
Met de komst van het aardgas, begin jaren zestig, ging Ernst de huiskamers binnen om de oude kolenkachels weg te halen en de eerste gaskachels te plaatsen. Als er door de loodgieter koperen leidingen waren gelegd, sloot hij de nieuwe haard aan op de gaskraan in de muur. Onder het toeziend oog van de bewoner hield hij een brandende lucifer bij de brander en met een zachte plof sprong het blauwe waakvlammetje aan. Ernst legde nog één keer uit hoe de thermostaat werkte, terwijl de bewoners verbaasd toekeken en voelden dat de kamer direct warmer werd, zonder dat er ook maar één kooltje was geschept.
Het was gedaan met het sjouwen en de kolenkit werd bij het oud ijzer gezet, of als paraplubak gebruikt. Medio jaren zestig werd het pand gerestaureerd. Aan de voorkant kwam een winkel met gashaarden en aanverwante artikelen en de achterkant werd een woonhuis. Ernst woonde achter en Ome Jan woonde voor, naast de winkel.
Concurrentie grotere zaken nam toe
Begin jaren zeventig was de drukte van de grote omschakeling voorbij en de concurrentie van grotere zaken nam toe, waardoor het in de smederij en in de winkel akelig stil begon te worden. De zaak werd opgeheven en in de winkel kwam een antiquair en daarna werd het een tweedehands kledingwinkel.
Met het doven van het smidsvuur en het sluiten van de winkeldeur kwam er een einde aan een tijdperk, waarin de smid de spil van de buurt was. Zijn werkplaats was de plek, waar men niet alleen voor reparaties kwam, maar ook voor het laatste nieuws en een praatje bij het warme vuur.
Hoewel de smederij werd gesloten en het aardgas de huizen overnam, blijft de herinnering aan de intense, droge warmte van de knusse, zwarte kolenkacheltjes en het vakmanschap van de kachelsmid die ze brandend hield, voor altijd verbonden met de gezelligheid van vroeger.
Sonja Duba en Frans Poulain






Meer nieuws uit Landsmeer?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie