
LANDSMEER - Zijn leven was hard en hij sliep in schuren, hooibergen of een stal. Hij liep zijn laarzen kapot over stoffige zandweggetjes en kronkelige modderpaden. Hij volgde een vaste ronde die weken tot maanden kon duren en hij kende elke weg en elke boerderij. De wegen waren gevaarlijk en de kans om beroofd te worden was groot, want in die tijd zwierven er overal struikrovers door het land. Zo liep hij, in weer of geen weer, van rumoerige markten naar vrolijke kermissen, om uiteindelijk de stilte van de afgelegen dorpen op te zoeken. Zo zag het dagelijks leven van de kassiesventer eruit.
Ergens in de achttiende eeuw naderde in de verte een eenzame figuur. Op zijn rug droeg hij de zware, houten kast boven zijn schouders uit. Slierten band en lint, die uit de kieren staken, wapperden achter hem aan en in zijn kast droeg hij kleine benodigdheden, die voor een boerenfamilie onmisbaar waren. Rollen gekleurd band, klosjes garen, naalden en spelden om kleding te herstellen of zelf te maken. Leren buidels, die in die tijd aan de riem werden gehangen omdat broekzakken nog niet bestonden. Soms wat spiegeltjes en ook wel geneeskrachtige kruiden.
Zodra hij het dorpsplein bereikte, liet hij de kast met een doffe klap op de kasseien zakken en opende hij de deurtjes. Die zware dreun en de lucht van vers gelooid leer waren een teken dat de kassiesventer weer in het dorp was. En aan de wapperende linten hadden de dorpsbewoners al van verre gezien dat er luxe goederen in aantocht waren.
Om klanten te lokken moest hij luidruchtig en vindingrijk zijn. Soms rammelde hij met een bos koperen ringen om zijn aanwezigheid aan te kondigen, maar ook had hij zijn speciale roep: “Linten voor de meiden en leer voor de boeren!“ Ook zong hij liedjes om de aandacht te trekken en vertelde hij nieuwtjes.
De dorpsvrouwen waren zijn beste klanten. Zij kwamen voor noodzakelijke artikelen, zoals sterk linnen garen voor het verstellen van werkkleding en zijden garen voor de zondagse mutsen. Knopen van been of hout en stalen naalden uit de stad. Die waren sterk en braken minder snel dan de goedkope. Bratjes stopwol, om gaten in kousen mee te stoppen, haarspelden en pietenkammen van hoorn of hout tegen de luizen.
De kassiesventer genoot van het moment. Dit was waarvoor hij kilometers had gelopen. Hij verkocht een el rood band voor een schort, een handvol stalen bakerspelden en een klein mesje voor in de keuken. “Kijk hier!”, riep hij met een schorre stem “Zijde uit de stad, garen zo sterk als een paard en leer dat jarenlang meegaat!”
Een boer pakte een buidel, hij voelde met zijn knuisten en rook eraan, de diepe eerlijke geur van Amsterdams looizuur. “Stevig werk, man”, bromde hij. “Mijn beurs is versleten, wat mag-ie kosten?”
Terwijl de boer de koop sloot en de nieuwe buidel direct aan zijn riem bevestigde, drongen jonge meiden naar voren. Hun ogen schitterden bij het zien van de smalle strookjes kant om de randen van een kraag mee af te werken. Glanzende knopen om een jas weer als nieuw te maken. Wit keperband voor de gehaakte nachtmutsjes. En ze zwijmelden bij het zien van glazen kralen, die schitterden in het licht, een ivoren kam of een vingerhoedje van koper. Soms had hij een klein flesje rozenwater of een geparfumeerd stukje zeep uit Amsterdam bij zich. Het gebeurde wel dat een jonge vrouw twijfelde tussen een klosje zwart garen dat ze moest hebben en een prachtig hemelsblauw lint dat ze dolgraag wilde hebben voor de kermis.
Naast garen en band had hij nog meer in zijn kast. In de verborgen hoekjes lagen altijd wat snuisterijen. Dit waren verleidingsartikelen waar de dorpsbewoners blij van werden. Een klein snuifdoosje van gelakt hout of koper, voor de boeren in de polder die van een snuifje tabak hielden. Een vingerhoedje van koper, vaak versierd met putjes. Een bezit waar elke naaister in het Waterland trots op was. Armbandjes van bloedkoraal en kleine zakjes van linnen of zijde, gevuld met gedroogde bloemblaadjes (zoals rozen of lavendel) en kruiden (zoals rozemarijn en tijm). Dorpsvrouwen droegen de zakjes bij zich om de stank van het dorp en de stal te verdoezelen.
Tegen de middag waren de mooiste linten verdwenen, verkocht voor de zuurverdiende centen van de hardwerkende boeren. De kassiesventer sloot met een zucht, de deurtjes van de houten kast, trok de riemen strak aan en hees de zware kast met een korte ruk weer op zijn schouders. Zonder om te kijken verliet hij het dorp met zijn blik gericht op de weg.
Bij elke stap die hij zette, knarste het grind onder zijn zware laarzen, terwijl hij de laatste huizen en boerderijen achter zich liet.
Sonja Duba en Frans Poulain







Meer nieuws uit Landsmeer?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie