Column: Een verhoord gebed

Ooit was ik in het bezit van een racefiets, al zal ik nooit begrijpen waarom. Ik hou namelijk helemaal niet van fietsen. Maar toch heb ik er menig ritje op gemaakt. Niet snel – ik had net zo goed een reguliere herenfiets kunnen aanschaffen – maar in een rustig tempo.
Dat bracht soms misverstanden met zich mee. Niet bij mij, maar bij racefietsers die ik onderweg tegenkwam. Het is me wel eens gebeurd dat ik door zo’n sportief type – de kuiten glimmend van de olie – ben ingehaald. Hij minderde vaart, keek om en spoorde me aan met een opmerking in de trant van ‘Nou, kom op!’. Kennelijk had hij bedacht dat ik hem moest volgen om samen in een moordend tempo door de polder te crossen, om de beurt voorop. Ik schudde ferm met mijn hoofd. Hij haalde vol onbegrip zijn schouders op, spurtte weg en verdween al snel aan de horizon.
Het zal voor omstanders best een raar gezicht zijn geweest, hoe ik me, weliswaar in een enigszins sportieve outfit – T-shirt, korte broek en gymschoenen – op mijn dooie akkertje op mijn flitsende fiets bewoog.
Eén keer heb ik me laten verleiden tot een serieuze sportieve krachtmeting. Met een maatje van me hadden we een weekend geboekt in een hotel in Otterlo. Racefietsen mee. Het idee - zíjn idee – was om een dagje door de Veluwe te fietsen. Op zichzelf heel aantrekkelijk, maar het traject dat hij had gekozen ging lang niet alleen over strakke, rechte geasfalteerde paden.
Om de hoek van het hotel ging het meteen mis. We moesten dwars door een bos, door rul zand. Mijn maatje, die fysiek veel sterker was, vond het heerlijk. Zelf zat ik na een kwartier he-le-maal kapot.
Het werd nog erger. We reden door een heuvelachtig gebied en moesten dus veel klimmen. Eerst reden we nog naast elkaar, maar al snel werd de afstand tussen ons steeds groter. Wanhopig zocht ik naar een uitweg.
Er kwam hulp uit een verrassende hoek. Op een zeker moment, toen mijn benen aanvoelden alsof er cement in was gestort en ik geheel buiten adem was geraakt, hoorde ik mezelf steunen: ‘O God, help me hieruit!’
Precies op dat moment kwam ik door een onzichtbare kracht naast het fietspad te rijden, waar ik meteen een klapband opliep. Ik kon niet meer verder.
Er passeerde een bestelauto, die we eerder bij ons hotel hadden zien staan. Hij stopte, scheepte fiets en mij in en zette me bij het hotel af. Mijn vriend volgde later op eigen kracht. Toen hij arriveerde wenkte ik hem vanaf het terras, waar ik met de benen languit aan een kloek glas bier zat.
Inmiddels had ik een belangrijke conclusie getrokken. God bestaat en had een gebed verhoord.






Meer nieuws uit Oostzaan?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie