Onderduikkind Jaap Wittenburg: “Ik heb heel veel mazzel gehad”

NOORD - Zaterdag 4 mei is het om 20.00 uur twee minuten stil. Dan worden o.a. de Nederlandse slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog herdacht. Tijdens de oorlog werden meer dan honderdduizend Nederlandse Joden omgebracht. Van de 107.000 Joden die werden gedeporteerd, keerden slechts zo’n 5.200 terug. Circa 25.000 Joden doken onder. Een derde daarvan werd opgepakt. Zo’n 4.500 van de vijf- tot zesduizend ondergedoken Joodse kinderen overleefden de Tweede Wereldoorlog. Een van hen is Jaap Wittenburg.
Door Hans Straeter
Jaap Wittenburg werd op 8 december 1939 geboren in de CIZ, de Centrale Israëlitische Ziekenverpleging (CIZ) aan de Jacob Obrechtstraat. Vader Ab (Abraham) Wittenburg was getrouwd met Hanny Cohen de Lara en had in die tijd een huisartsenpraktijk aan het Zonneplein in Tuindorp Oostzaan en was bedrijfsarts bij de NDSM.
Onderduiken
Tijdens de Duitse bezetting werden voor Joden stap voor stap beperkende maatregelen ingevoerd. De situatie werd uiteindelijk steeds nijpender; mensen werden in getto’s opgeborgen en konden niet meer in dienst treden bij anderen. In 1942 doken vader en moeder Wittenburg onder op een adres aan de Blauwburgwal. Het was een woning van een Rijksduitser die al voor de oorlog bij de NDSM werkte. Er woonde al een gezin; ruimte voor peuter Jaap was er niet.
Het kind werd ondergebracht bij personeelschef Bert Bohlmeijer van de NDSM en zijn vrouw Mary van Amerongen die toen nog maar net in de Watergraafsmeer woonden. Het viel in de buurt wel op dat het blonde stel zomaar ineens een zoontje had met heel donker haar. Daarom verhuisden ze korte tijd later naar de Wielingenstaat in Zuid.
Zenuwentoestand
Jaap Wittenburg herinnert zich over dat adres: “Aan de ene kant heb ik heel goede herinneringen, aan de andere kant was het natuurlijk een zenuwentoestand. Je moet je voorstellen; ze waren al een keer verhuisd. Wat ze ontdekken als ze wonen in de Wielingenstraat is dat de hoogste baas van de Landstorm, een hulporganisatie van de SS, één verdieping hoger woont. Zijn SS-uniformen hingen bij ons over de leuning in het trappenhuis te drogen. Alle kleine dingen moet je continu in de gaten houden”
Jaap kwam soms wel eens buiten, maar kwam nauwelijks in aanraking met andere kinderen. Het risico dat er iets zou uitlekken was te groot. Soms speelde het onderduikkind even in het Beatrixpark: “Daar was een klein vijvertje en een zandbak en dat was recht voor de deur van de woning en daar was ik dan in mijn uppie.”
Toch gaat hij in de tweede helft van 1944 naar een kleuterschool. Jaap Wittenburg: “Dat was bij de nonnen, die hebben geweten dat ik een onderduikkind was. Daar ben ik van overtuigd, maar ik zie mezelf daar nog zitten. Wat heb ik hier nou te zoeken; wat moet ik hier in godsnaam doen? Ik begreep daar helemaal geen bal van.”
Verraad
Wat Jaap toen nog niet wist, is dat zijn vader en moeder in 1943 op hun onderduikadres aan de Blauwburgwal waren verraden. Jaap hoorde het verhaal via zijn vader na de oorlog: “Ze wisten precies waar ze moesten zoeken. Ze kwamen binnen en liepen direct naar de kast waar ze achter zaten. Trapten de achterkant van die kast open om ze eruit te halen. Dus gewoon verraden.”
Zijn ouders werden naar de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan gebracht en belandden uiteindelijk in Auschwitz. Daar werden vrouwen en mannen van elkaar gescheiden. Met veel moeite zagen de twee elkaar nog één keer bij een afrastering. Moeder Hanny overleefde het concentratiekamp niet. Vader Ab lukte dat wel.
Jaap Wittenburg: “Mijn vader heeft alles overleefd. Alles; dodenmarsen, nog gewerkt aan de V-2’s, dat soort werk. Mijn vader had altijd iets bijzonders. Die werd uit die dertigduizend mensen gepikt met misschien wel honderd doktoren als de vertrouwde huisarts van de opperbeul in Auschwitz. Men gebruikte die situatie natuurlijk, zoals iedereen. De enige manier om te overleven was als je bijvoorbeeld in de keuken stond of als je in de administratie zat en dan ging je je diensten ruilen voor andere dingen.”
Bevrijding
In mei 1945 werd Nederland bevrijd. Niet lang daarna namen zijn pleegouders Jaap mee naar het weeshuis aan de Wielingenstraat ‘om te gaan kijken.’ Jaap vroeg toen: “Waar gaan we naar kijken?” Het antwoord was: “Ja, dat zal je wel zien.” Jaap vervolgt: “Nou, daar zag ik een uitgemergelde man, bijna een soort lijk wat daar in bed lag en dat was mijn vader. Ja, totale verwarring natuurlijk, want ik had maar één vader en dat was die personeelschef en zijn vrouw Mary was mijn moeder; overigens een schat van een mens.”
Vader Ab Wittenburg bleek samen met een medegevangene uit het concentratiekamp naar Nederland te zijn teruggekeerd. Nadat hij opgeknapt is, wordt Jaap weer bij hem in Amsterdam-Noord ondergebracht. Vader Ab stort zich op zijn werk en neemt een praktijk over aan het Mosveld. In 1947 trouwt de huisarts met een Joodse vrouw die haar man in Auschwitz was verloren. Uit dat huwelijk wordt nog een dochter geboren. Het contact tussen Jaap, zijn vader en zijn stiefmoeder loopt niet altijd even soepel. Met zijn pleegouders houdt hij tot aan hun dood goed contact.
Net als veel andere onderduikkinderen wordt hij bij vlagen een dwars kind. Vroegtijdig verlaat Jaap Wittenburg het lyceum, maar weet daarna via de zeevaart en marine zijn weg te vinden. Ten slotte schopt hij het nog ver met een hoge functie in de automatisering. Jaap wordt vader van een zoon en twee dochters.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in Sobibór en Auschwitz van Jaap zijn moeder, drie tantes, een opa en twee oma’s vermoord. Terugkijkend op zijn vroegste kindertijd zegt hij: “Ik heb heel veel mazzel gehad.”






Meer nieuws uit Amsterdam-Noord?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie