Jasper Brinkman over dertigerskaters na Koningsdag: waarom je lichaam geen 20 meer is (en elke ‘één drankje kan wel’ een leugen blijkt)

Er zijn katers, en er zijn dertigerskaters. Dat zijn geen katers meer, maar meerdaagse evenementen met een opbouw, climax en nasleep. Een persoonlijk festival, maar dan zonder muziek en met veel spijt.
Vroeger was een kater heel overzichtelijk. Je werd wakker, dacht: “oei”, dronk wat water, at iets dat officieel geen eten is (een broodje knoflooksaus), en rond drie uur appte je: “Zullen we vanavond weer?”
Nu word je wakker en weet je meteen: dit wordt een project.
Fase één: Pure ontkenning. Je blijft liggen en hoopt dat stilzitten genezend werkt. Dan draai je je hoofd twee centimeter. Foute boel.
Alles doet mee. Hoofd bonkt, mond kurkdroog, maag licht vijandig. En mentaal? Pure sabotage. Je brein speelt alleen de verkeerde scènes terug. Waarom heb je zo lang gepraat met iemand die je ‘maat’ noemde, terwijl je zijn naam niet wist?
Tegen de middag gloort er hoop. Je doucht. Je drinkt water en trekt nog ergens een strip paracetamol vandaan. Je eet iets gezonds, omdat je nu blijkbaar iemand bent die ‘herstelt’. Je denkt: zie je wel, ik ben er bijna.
Nee.
De tweede golf komt altijd. Subtieler, maar gemener. Een moeheid, van hier tot aan Texel en weer terug.
Het bizarre is: je wéét dit. En toch sta je weken later weer met een drankje in je hand, denkend: ach één kan wel. Alsof je niets leert. Alsof je lichaam geen notities bijhoudt.
Dertig zijn is niet stoppen met drinken. Het is weten dat je het eigenlijk niet meer aankunt en het soms toch doen. Met alle consequenties.
Ik ga nu weer even liggen.
Voor onderzoek. Bedankt, Koningsdag.
Liefs, Jasper






Meer nieuws uit Den Helder?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie