Frank Vaatstra (63) ontdekte als dakloze zijn talent voor dichten: “Ik sliep buiten en dronk, maar was gewoon softbalcoach in Haarlem”

Nieuws
Frank is tevreden en gelukkig, zegt hij: “Ik heb vrienden en een mooie flat.
Frank is tevreden en gelukkig, zegt hij: “Ik heb vrienden en een mooie flat. (Foto: aangeleverd)

HAARLEM - Nergens in Haarlem heeft een etablissement zo’n verscheidenheid aan medewerkers en clientèle als het Open koffieHuis in Schalkwijk. Hier raken mensen met heel verschillende achtergronden met elkaar aan de praat, terwijl ze elkaar op straat straal voorbij zouden lopen. Het aanloopcentrum van een andere Haarlemse organisatie, Stem in de Stad, is vooral bedoeld voor kwetsbare mensen. Haarlems Nieuwsblad portretteert frequent medewerkers en bezoekers van deze bijzondere ontmoetingsplaatsen.

Door Weert Schenk

Zijn schouder die op vier plaatsen was gebroken, wil na ruim een jaar nog steeds niet helen. De afspraak voor een gesprek met Frank Vaatstra kon daardoor zomaar een paar weken uitlopen. Eerst was er een vijf uur durende operatie, daarna een wondinfectie en vervolgens een quarantaine vanwege een ziekenhuisbacterie. De pijn valt wel mee, zegt hij: “ik heb een hoge pijngrens.” Binnenkort moet hij weer worden geopereerd.

Frank brak zijn schouder toen hij thuis in het donker struikelde over de riem van zijn rugzak. Hij viel op de hoek van een tafeltje. “Het was een ongeluk”, zegt hij, “ik had niet gedronken.”

De gebroken schouder is voor de 63-jarige Frank Vaatstra slechts een voorval in een veelbewogen leven. “Ik heb zoveel meegemaakt dat ik bezig ben met een autobiografie.” Het duurt nog even voordat het boek klaar is. Hij is ontevreden over de tekst en begint opnieuw.

Frank is ook meer een dichter dan een schrijver. Hij behoort tot de vaste kern van de schrijfclub van (ex-)dak- en thuislozen, die elke dinsdag bij Stem in de Stad bijeenkomt. Uit een kast pakt hij een boekje waarin gedichten en korte verhalen van de schrijfclub zijn verzameld.

De titel van de bundel is “Gevlucht, verloren, verdwaald”, naar de eerste regel van een gedicht van Frank. Terwijl hij het boekje op tafel legt, declameert hij:

“Gevlucht, verloren, verdwaald.

Verworpen door een maatschappij

En ik, ik hoor daar bij

Een roepende, in de kiem gesmoord.

Een stem gevraagd voor heel dichtbij

En ik, ik hoor daarbij.”

En zo verder, zegt hij.

De meeste gedichten van hem grijpen terug op zijn leven als alcoholist en dakloze. In zijn flat in Schalkwijk vertelt hij hoe hij in de goot belandde. Met een biertje voor zich, waarvan hij niet drinkt, en een voorraad sigaretten onder handbereik, waarvan hij er geen opsteekt, vertelt hij eerst over zijn vroegere topsportambities.

Frank volleybalde bij Jong Oranje en zag jongens als Peter Blangé en Ron Zwerver binnenkomen. Op zijn achttiende scheurde hij zijn enkelbanden en kon hij niet verder op hoog niveau. “Blangé en Zwerver behoorden tot de volleyballers die op de Olympische Spelen in Atlanta goud wonnen. Daar had ik bij kunnen zijn. Ik heb het daar psychisch heel moeilijk meegehad.”

Ik had veel eerder aan de bel moeten trekken, dan was het allemaal heel anders gelopen.”
Ik had veel eerder aan de bel moeten trekken, dan was het allemaal heel anders gelopen.” (Foto: aangeleverd)

Omdat hij niet meer op hoog niveau kon volleyballen, werd hij in de winter volleybalcoach en in de zomer softbaltrainer bij Terrasvogels uit Santpoort. Bij die topclub klom hij op tot manager van het eerste team. Frank was erbij toen Terrasvogels twee keer Europacup 1 en een keer Europacup 2 won. “Met die club heb ik zoveel mooie dingen meegemaakt”, zegt hij en haalt allerlei anekdotes op.

Naast zijn reguliere baan bij KPN was hij alleen maar met sport bezig. Een reorganisatie bij het telecom-bedrijf maakte hem werkloos. In die tijd raakte zijn relatie over en keerde hij terug naar het ouderlijk huis om zijn zieke moeder te verzorgen. Zijn moeder overleed en enkele maanden later stierf zijn vader.

Frank zegt dat hij dat verlies emotioneel niet kon verwerken. “Ik heb toen een gigantische fout gemaakt. Ik dronk al, maar uit verdriet begon ik een beetje boel te drinken. Rode wijn. Op het dieptepunt dronk ik zes flessen op een dag. Laveloos lag ik op de bank. Ik maakte de post niet meer open, betaalde de rekeningen niet.”

Het ouderlijk huis zou naar één van zijn twee broers gaan. “En die twee zeiden na een paar maanden: ‘als jij zo doorgaat, hoef je niet meer op ons te rekenen’. Nou ja, ik maakte er een zootje van en op een gegeven moment belde een deurwaarder aan met de mededeling dat ik aan het eind van de dag het huis uit moest zijn. Toen stond ik op straat.”

Zijn geluk was, zegt hij, dat hij wist dat op sportvelden vaak vergeten wordt de kleedkamers af te sluiten. “Dus ‘s avonds maakte ik een rondje langs de velden, sliep in een kleedkamer en kon nog douchen ook. En als er geen deurtje open stond, lag ik in de bosjes in de Haarlemmerhout.” Hij werd wel eens betrapt in een kleedkamer. “Maar als redelijk bekend figuur werd het me nooit aangerekend.”

Overdag zat hij warm en droog met gratis koffie in de stadsbibliotheek. “Omdat ik me netjes gedroeg, werd ik niet weggestuurd. Ik dronk al veel minder, want het besef was doorgedrongen dat ik het met dagelijks zes flessen wijn niet zou overleven.” Drie keer in de week kon hij eten bij Stem in de Stad.

Begin 1997, toen hij al twee jaar dakloos was, haalde de politie Frank bij strenge vorst uit een zelfgefabriceerd hutje in het Pim Mulierstadion en brachten hem naar de nachtopvang van het Leger des Heils. Daar was hij nog nooit eerder geweest: “ik vond mezelf te goed om tussen het gajes te zitten. Achteraf viel het heel erg mee met dat gajes. Er zijn veel mensen zoals ik dakloos. ”

Officieel Is de nachtopvang voor heel korte duur, maar Frank mocht langer blijven. “Ik hielp met schoonmaken en broodjes smeren. En daarna ging ik verse soep maken, waarvoor ik ook boodschappen moest doen. Zo rolde ik door de nachtopvang heen.”

In die tijd richtte Stem in de Stad de schrijfclub op, waarvoor Frank werd uitgenodigd. Hij schreef een gedicht, waar volgens de oprichter veel talent uitsprak: “Hij zei: het is zonde als je hier niets meedoet. Jij moet bij de schrijfclub blijven.” Sindsdien zet hij bij Stem in de Stad zijn gevoelens en gedachten op papier. Het is zijn uitlaatklep. Zijn gedichten werden vaak gepubliceerd in het voormalige Straatjournaal en onlangs in een eigen bundel. Soms draagt hij ze voor op scholen of in buurthuizen.

Vanuit de nachtopvang van het Leger des Heils kreeg Frank op verschillende plekken onderdak totdat hij in 2015 een flat op zijn eigen naam kreeg. Hij kan, zegt hij, goed voor zichzelf zorgen. Met het drankgebruik ging het nog een keer mis, nadat zijn vriendin aan een hersenbloeding overleed. “Ik kon niet met de leegte omgaan. Het drinken was niet zo excessief als voorheen, maar zeker meer dan goed voor me was. Vrienden hebben me erdoorheen gesleept. Nu drink ik een biertje, maar ik kan ook zomaar maanden stoppen.”

Hij is tevreden en gelukkig, zegt hij: “ik heb vrienden en een mooie flat.” Hij zwijgt even en vraagt dan: “Weet je hoe het gedicht “Gevlucht, verloren, verdwaald eindigt?

“Dan wordt ineens naar me geluisterd

Dan word ik vrolijk, word ik blij

Want ik, ik hoor er wéér bij”

Dat hij er een tijd niet bij hoorde, was zijn eigen schuld, zegt hij. Daarom vond hij de vraag van een meisje op een basisschool, waar hij vertelde over dakloosheid, zo confrontrerend. “Ze vroeg waarom ik niet bij een vriendje was gaan slapen. Dan sta je met een mond vol tanden. Ik kende veel mensen, maar ik was eigenwijs en trots. Ik regelde het zelf wel. Terwijl ik dakloos was en dronk, was ik gewoon coach bij het softbal. Ik kon goed verbergen dat er iets aan de hand was. Ik zocht geen hulp. Mijn idee was: je hebt het zelf verkloot, je moet het zelf oplossen. Van die houding heb ik spijt. Ik had veel eerder aan de bel moeten trekken, dan was het allemaal heel anders gelopen.”

Afbeelding
Afbeelding

Meer nieuws uit Haarlem?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: