
LANDSMEER - Simon Pietersz. Tump, geboren in Landsmeer op 22 juni 1881, huwde op 11 mei 1905 met Aaltje Busch, geboren in Oostzaan op 10 januari 1882. Hij vestigde zich als bakker en inwoner te Oostzaan en keerde op 17 oktober 1916, na de watersnood, terug in Landsmeer en begon een manufacturenwinkel in de Dorpsstraat 48.
Ouderwetse manufacturenwinkels waren gespecialiseerd in stoffen, garens, beddengoed en kleding. Er stonden massieve houten kasten en stellingen met vakken en lades vol met textiel, schortjes en tafellakens, rollen elastiek, kleurrijk band en ontelbare klosjes garen. In het bovengedeelte lagen de zware rollen stof, liggend opgestapeld.
De kopse kanten van de rollen stof waren zichtbaar, zodat de winkelierster in één oogopslag het blauw gestreepte tijk voor bedden, het rood geblokte katoen voor kussenslopen of het ongebleekte katoen kon herkennen. Tussen de vakken door lagen op speciale plekken, de platte kartonnen dozen met Ville de cos- kousen. Ze stonden, vanwege hun stevigheid en goede pasvorm, bekend als dé kwaliteitskous van de twintigste eeuw, nog voordat de dunne nylonkous de markt overnam. Men droeg ze uitsluitend op de dag des Heren of bij hoogst bijzondere gelegenheden. De Ville de cos-kousen waren de trots van de manufacturier en lagen per paar verpakt tussen vloeipapier in zo’n mooie platte doos.
Een papje van stijfsel
Het rook er naar nieuwe rollen linnen en katoen, die vroeger behandeld werden met een papje van stijfsel om de stof mooi strak te houden. De bediening was persoonlijk en er werd kwaliteit geboden en advies. Achter de lange, eikenhouten toonbank stond de eigenares.
De zware winkeldeur valt met een doffe klap dicht en de bel boven de deur geeft een kort rinkeltje. Vrouw Tump kijkt op van een stapel flanellen onderbroeken die ze zojuist met zorg aan het recht leggen was. Ze strijkt haar schort glad, vouwt haar handen op de toonbank en zegt met een vriendelijke glimlach…
“Wat mag het zijn, mevrouw?”
De klant, een dorpsvrouw, zet haar mand op de toonbank. “Ik heb tijk nodig, voor twee nieuwe matrassen”, zegt ze kordaat. “En de sokkenwol is op, de mannen lopen de hielen er sneller uit dan ik kan breien.”
Vrouw Tump knikt begrijpend. Ze draait zich om naar de hoge stellingen en tilt met beide handen een zware rol blauw/wit gestreept katoen naar beneden. Terwijl ze de stof afrolt op de toonbank, meet ze per el (ca. 69 cm) de hoeveelheid en met een grote, zware schaar, knipt ze de stof door. Daarna tilt ze de rol blauw/wit gestreept tijk weer terug op de stelling.
Buste met groot, roze corset
Ondertussen kijkt de klant een beetje rond en haar blik blijft rusten op het half geopend gordijn, achterin de winkel. Daar in het schemerige pashokje staat een buste met een groot, roze corset. Het is een imposant kledingstuk, glanzend van de satijn tricot, met stevige baleinen om de taille gesnoerd en onderaan bungelen jarretels met glimmende, nikkelen klemmetjes. Het ziet er uit als een harnas, maar voor een vrouw, die de hele dag in een katoenen schort loopt, ziet het eruit als pure luxe.
“Zijn dat de nieuwe modellen uit de stad?”, vraagt ze aarzelend.
“Jazeker”, antwoordt Vrouw Tump, terwijl ze naar het gordijn loopt en een corset van de stapel pakt en het uitspreidt op de toonbank. “Voelt u maar eens, wat een kwaliteit. En ze hebben geen veters die je zelf moet rijgen, maar een voorsluiting met haakjes en oogjes.”
De klant strijkt met haar ruwe werkhand over het zachte roze satijn. “Volgende maand, misschien”, zegt ze met een zucht. “erst de bedden van de jongens.”
Het blauw gestreepte katoen en de sokkenwol worden keurig ingepakt in bruin papier met een touwtje eromheen. De klant rekent af en legt het zware goed in haar mand. Ze knikt Vrouw Tump vriendelijk toe en verlaat de winkel.
Herenafdeling soberder
De herenafdeling was weliswaar soberder, maar onmisbaar in de manufacturenzaak. Het assortiment bestond onder andere uit herenondergoed, diverse stofjassen, overalls en petten. Sokophouders, om te voorkomen dat wollen sokken afzakten en losse, gesteven boorden voor de kerkgang. Zo hoefde niet het hele overhemd gewassen te worden, alleen het boordje dat met speciale boordenknoopjes aan het hemd werden vastgemaakt.
Ondertussen gaat ‘Lappiesbaas’ Tump, zoals hij genoemd werd op het dorp, met zijn transportfiets en bruinleren koffer vol met ‘het zware goed’ voor de werkman, de boer op. Het is hard trappen over de grindpaden. Hij koerst naar de eerste boerderij en remt af.
Lange onderbroeken van tricot
Zodra de boer of de knecht uit de stal komt, zet Tump zijn fiets op de dubbele standaard en de koffer gaat open. Daar liggen ze, lange onderbroeken van tricot of flanel, dikke baaie hemden om het zweet op te vangen en de borstkas warm te houden tijdens het buitenwerk. Boerenkielen en grote, katoenen zakdoeken, bretels om de manchester broek op te houden en een paar werkpetten voor op het land. Ook verkoopt hij met de hand gebreide, kant en klare, dikke geit-wollen sokken met een dubbele hiel voor in de klompen. Die zijn zo stug dat ze rechtop kunnen staan.
Gepast wordt er niet, Tump houdt de onderbroek simpelweg voor de boer langs. “Deze past, hij krimpt nog wat in de kookwas”, luidt zijn advies. Zijn verkooppraatje gaat niet over mode, maar over overleven.
De boer voelt vooral aan de dikte van het flanel. Het moet de gure wind op het land tegenhouden. Tump trekt de boorden van de lange onderbroek uit elkaar om te laten zien dat het elastiek stevig genoeg is, zodat de tocht niet naar binnen kan.
‘Poepklep’ of ‘valdeur’
Die klassieke lange onderbroeken hadden van achteren een klep. Met die koude buitentoiletten was het een manier om naar de wc te gaan, zonder de hele broek uit te hoeven trekken. De klep werd aan de bovenkant met knopen vastgezet. In de volksmond werd dit ook wel de ‘poepklep’ of ‘valdeur’ genoemd. Aan de voorkant zat gewoon een gulp met knoopjes.
Boerenarbeid was zwaar. De hele dag hooien of kuilgras afsteken, dat ging je lelijk in de rug zitten. Daarvoor had Tump, als hij ruimte genoeg had in zijn koffer, een ‘Gezondheid’ bij zich. Dat was een speciaal corset voor heren met rugklachten. Het was gemaakt van stevige stof en het werd vastgemaakt met knopen, zodat het strak rond de lendenen zat. Vaak werd de koop verder aan de grote eikenhouten keukentafel gesloten. Daar kwam ook de rest uit de koffer tevoorschijn.
Terwijl de boerin koffie inschonk, voelde de boer aan de Manchester broeken. Hij trok aan de naden en wreef over de ribbels van de stof. Was het dik genoeg? Kon het tegen een stootje op het land?
“Die verslijt je niet! Daar kun je drie winters mee door de bagger!”
Tump wist dat voor de boer twee dingen telden: onverwoestbaarheid en vertrouwen. Door de broek te verkopen als een ‘werktuig’ in plaats van als een ‘kledingstuk’, werd de koop gauw met een stevige handdruk beklonken.
Hij steekt een sigaartje op
Buiten staat zijn trouwe transportfiets te wachten. Met een flinke duw brengt hij het gevaarte op gang. Met de zware, leren koffer stevig op de bagagedrager geklemd, kijkt Tump nog één keer om naar de boerderij, waar hij zojuist zijn laatste koop heeft gesloten. Hij steekt een sigaartje op, klemt het stevig tussen zijn tanden en fietst voldaan naar huis. De handel is weer goed geweest vandaag.
Met de komst van de grote warenhuizen in de tweede helft van de twintigste eeuw, verdween de manufacturenwinkel langzaam uit het straatbeeld. Ook de winkel in de Dorpsstraat werd opgeheven. Er kwam een Jamin voor in de plaats. Voortaan kocht je daar je ijsjes.
Sonja Duba en Frans Poulain






Meer nieuws uit Landsmeer?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie