Landsmeerse venters brachten spullen en nieuwtjes mee

LANDSMEER - In de vroege jaren dertig van de vorige eeuw was Landsmeer een rustig, langgerekt lintdorp langs de wegsloot. Venters met handkarren, hondenkarren en zware manden kwamen langs om hun waren aan de deuren van de huizen en boerderijen te verkopen.
De groenteboer kwam wekelijks met paard en wagen het dorp binnenrijden. De kar lag vol houten kisten met aardappelen, wortelen, uien en kool. In de zomer kwamen daar sloffen verse aardbeien, pruimen en kersen bij. Aan de kar hing een koperen weegschaal.
De groenteboer woog alles ter plekke af. De huisvrouw droeg de groenten in haar schort naar de keuken, waar ze in de pan belandden of in de voorraadkast werden gelegd.
Zwaarbeladen handkar
De kaasboer kwam met een zwaarbeladen handkar. Hij verkocht de kaas in stukken die hij van tevoren had afgesneden. Op zijn kar stond ook een kist met eieren.
Ook boter werd aan de deur verkocht. De venter bracht de boter mee in een botertijne. Met een houten spatel schepte hij een flinke klomp boter uit de tijne. Die werd gewogen en vervolgens in de meegebrachte stenen boterpot van de huisvrouw gedaan. Thuis zette zij de pot meteen in de koele kelder of in de vliegenkast, want koelkasten waren er nog niet.
Eigen verpakking
Het meebrengen van je eigen verpakking was destijds de normaalste zaak van de wereld. Voor melk, stroop en petroleum nam men een eigen bus of pot mee, de melkkoker, de strooppot en de petroleumkan.
In de ochtend hoorde je het geratel van houten wielen over de zand- en klinkerwegen van Landsmeer. Veel venters kwamen uit Amsterdam of uit de omliggende dorpen in Waterland. Ze liepen langs de huizen en boerderijen en kondigden hun komst luid roepend aan.
Aan zijn stem wisten de bewoners dat de scharensliep in het dorp was. Hij zette zijn slijpsteen neer en maakte botte messen en scharen weer vlijmscherp.
Olieventer en lantaarnopsteker
Langs de Dorpsstraat en het Zuideinde ventte Dirk Roele (Dirk van Tet) met olie. Hij was olieventer en tevens lantaarnopsteker.
De schillenboer riep om groenteafval en aardappelschillen voor de varkens. De marskramer opende zijn grote rieten mand, vol garen, band, knopen en spelden.
De visboer rook je al van een afstand. Hij bracht verse vis, zoals haring en schar, van de markt mee. De voddenboer kocht oude kleren en lompen op en woog ze af met een unster. Voor een paar centen nam hij de spullen mee.
Melkventer met hondenkar
De melkventer kwam met een hondenkar, getrokken door één of twee sterke honden. Hij verkocht losse melk en schepte die met een melkmaatje rechtstreeks uit de melkbus. De huisvrouw stond klaar met haar eigen emaillen pan of melkkan. De melk moest thuis zo snel mogelijk worden gekookt, anders werd ze zuur. Daarom kwam de melkventer dagelijks langs.
Ook de bakker kwam iedere dag aan de deur met vers brood. In zijn kar lagen krentenbrood en bollen en speciaal voor het weekend nam hij roomboterkoekjes mee. De lappiesbaas ventte met textiel. Hij verkocht schortjes, mooie lapjes om een jurk van te maken en kielengoed voor boerenkleding of reparaties.
Jaffa’s met flinterdun vloeipapiertje eromheen
De sinaasappelventer verkocht grote, sappige sinaasappels, echte Jaffa’s, elk met een flinterdun vloeipapiertje eromheen waarop in sierlijke letters ‘Jaffa’ stond. Ze kwamen vers van de veiling en werden vooral door de rijkere dorpsbewoners gekocht. Zo’n dikke sinaasappel was pure luxe.
En dan was er de juwelenkoopman uit Purmerend. Zijn klanten waren de welgestelde inwoners van het dorp. In zijn koffer zaten gouden sieraden en zelfs diamanten. Hij kwam met Pasen, wanneer jongens en meisjes van ongeveer achttien jaar belijdenis deden. Bij hem kon je een kerkboek met een gouden slot kopen. Een bijzonder en kostbaar cadeau.
Hypotheekverstrekkers waren rijke particulieren
Ook Grietje Tump mocht als jonge dame wel eens iets uitzoeken, als het een goed jaar was geweest. De pacht moest binnen zijn en ook de inkomsten uit de uitgezette hypotheken. Hypotheekverstrekkers waren in die tijd vaak rijke particulieren die hun geld uitleenden aan anderen.
Grietje koos eens een ovale, gouden broche met een maansteen en een klein gouden balletje. Voor jonge mannen had de juwelenkoopman gouden horloges met een ketting bij zich.
Landsmeer was een echt waterdorp, met talloze sloten en vaarten. Venters gebruikten daarom niet alleen de weg, maar ook het water. Met platte schuiten verplaatsten zij zich door het dorp. Ze boomden, al roepend, bellend en toeterend door de wegsloot en voeren onder de hoge bruggen door.
De pottenbaas had potten en borstelwaren in zijn schuit. De mattenbaas verkocht lopers, biezen matten en deurkleedjes. De boerinnen en huisvrouwen stonden soms al aan de kant van de sloot of op het erf te wachten. In de verte hadden ze de schuiten al horen aankomen.
Kinderen renden achter de handkarren aan
De venters brachten meer mee dan alleen spullen die niet zomaar in het dorp te koop waren. Ze brachten ook nieuws uit Amsterdam en de omliggende dorpen. Een venter wist wie er getrouwd was, waar een kind was geboren en waar iets bijzonders was gebeurd. Kinderen renden achter de handkarren aan als er iets te zien viel. Soms mochten ze zelfs een stukje helpen duwen of kregen ze een appeltje met een stekkie.
Het venten was zwaar werk, maar het bracht beweging en vrolijkheid in het dorp. In Landsmeer gingen de deuren open wanneer de venters langskwamen. Er werd gehandeld aan de slootkant en op de weg bij de kar. Men hoefde er niet voor naar de stad. De dagelijkse boodschappen werden gewoon thuisgebracht, tot aan de voordeur.
Zo ging het honderd jaar geleden. Een vertrouwde wereld waarin de venter niet alleen koopman was, maar ook boodschapper, nieuwtjesbrenger en een vast onderdeel van het dorpsleven. Tot de wegen verhard werden en auto’s en vrachtwagens het werk langzaam overnamen.
Sonja Duba en Frans Poulain





Meer nieuws uit Landsmeer?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie