Bij Ons in Amsterdam: Ida Staat

Amsterdam 750
Ida Staat.
Ida Staat. (Foto: Aangeleverd)

AMSTERDAM - Dit is het verhaal van Ida Louise Staat, geboren op 27 juli 1938 in De Baarsjes, dat nu Oud-West heet. Ooit was er een Amsterdam waarin een balpen een vernieuwing was. “Dat kon je ook niet begrijpen, een pen die schreef zonder in de inkt te hoeven dopen”, zegt Ida. In de podcast ‘Bij Ons in Amsterdam’ gaan we terug naar die tijd. Het podcastteam spreekt Ida in haar kamer in het Dr. Sarphatihuis. Er staat een bed, een tv, een klein bureau en een wastafel. Aan de muur hangen foto’s van familie, kinderen en kleinkinderen. Op een klein tafeltje staat een bosje verwelkte bloemen. “Het is maar een klein kamertje, maar wél een prachtig gebouw.”

Tot 1921 vormde de Kostverlorenvaart de westelijke grens van Amsterdam. De wiegbrug op de huidige Admiraal De Ruijterweg was de houten tolbrug waarover men de stad binnenkwam vanuit buurtschap De Baarsjes. Dit was een klein plaatsje zonder duidelijk centrum of kerk. Het lag niet in Amsterdam, maar in de plattelandsgemeente Sloten. Als je over de huidige wiegbrug gaat en linksaf slaat, zie je nog steeds een rijtje alleraardigste arbeiderswoningen aan de Slatuinenweg. Die huizen liggen lager dan de rest van de buurt, op het zogenaamde ‘polderpeil’. Het gebied vlak buiten Amsterdam lag lager dan de stad. Aan de Slatuinenweg staat ook nu nog een politiebureautje dat de tand des tijds heeft doorstaan.

‘Op elke hoek van de straat zat een winkeltje’

Toen Sloten in 1921 werd geannexeerd door Amsterdam, was het gedaan met buurtschap De Baarsjes. De stad had huizen nodig, dus werd er hardvochtig begonnen met de nieuwbouw van woningen. De De Clerqstraat en de Jan Evertsenstraat en de doorkruisende dwarsstraatjes zijn overblijfselen van de verkaveling van de Baarsjespolder. Tien jaar later lag daar een gloednieuwe wijk waar Ida opgroeide in de Magalhaensstraat. “Niemand weet waar de Magalhaensstraat is”, zegt Ida. Het is nog steeds een schattig straatje met relatief lage huizen en dubbele portieken met tegelvloertjes erin. “Het is nog precies als vroeger, alleen staat het nu beter in de verf,” weet Ida te vertellen. Het is een gezellige Amsterdamse arbeidersbuurt geworden. “Op elke hoek van de straat zat een winkeltje: de melkboer, de groenteboer, een slager op de andere hoek een kleine kruidenierswinkel… dat kun je je nu bijna niet meer voorstellen.”

Op het Mercatorplein zou de eerste zelfbedieningswinkel van Amsterdam en later de eerste supermarkt van Nederland de deuren openen. Maar toen Ida klein was wist ze niet beter of je deed je boodschappen bij de aparte winkeltjes. De melkboer trok op een opvallende manier langs de huizen. Met een klein melkkarretje ging hij melk venten. “Dat karretje werd getrokken door een geitje. Er stonden twee melkbussen op en daar werd uit getapt en er lagen nog wat pakjes boter op.”

Elke dag had een huishoudelijke betekenis: zo was maandag de wasdag. Zondagavond zette moeder een grote wasketel op het gas om het water te verwarmen en de was stond zo de hele nacht op een klein vlammetje te weken. Maandagochtend ging moeder met een wasbord aan de slag. Het hele huis rook in die dagen naar zeep. Met de uitgewrongen was in de mand liep moeder naar de zolder waar ze op de gang de was ophing aan waslijnen die tussen de kleine kamertjes waren gespannen.

‘Elke zomer kwamen de kolenmannen langs, die helemaal zwart zagen van het kolengruis’

In een van die kleine kamertjes op zolder stond een werkbank voor vader, die was timmerman. In een ander kamertje lag de jaarvoorraad kolen. “Elke zomer kwamen de kolenmannen langs, die helemaal zwart zagen van het kolengruis, om de jaarvoorraad aan te vullen. Ze hadden van die grote zakken op hun rug en die sjouwden ze het hele huis door.” Alles was zwart en daarna werd het hele huis gepoetst. De woonkamer werd goed warm gehouden door die kolenkachel, waar die handige kolenkit naast stond. De kachel had drie deurtjes, onder andere om de kolen makkelijk in te kunnen kieperen, en onderaan zat een schuifje waarmee je de luchttoevoer kon regelen. Dat heette ‘de trek’.

Een badkamer had de familie van Ida niet, maar de overburen wel. Zij hadden dan weer geen veranda. “Wij hadden wel een veranda, maar daardoor geen badkamer. Dus dan gingen wij eens in de zoveel tijd bij de buren in bad en betaalden daarvoor een centje. Dat losten we op die manier op.” De familie Staat had dus een veranda, die bestond uit een paar planken, waar de moeder van Ida de was ophing die ze niet op de zolder kwijt kon. Overal in de buurt hing de was te wapperen op de veranda’s, maar daar moest je niet op gaan staan, want dat was gevaarlijk. Tussen die wasbeurten door werd een teil met koud water voor de kachel geplaatst en daar werd met fluitketeltjes warm water in gegooid, tot het de goede warmte had en als het teveel was afgekoeld, dan ging er weer een keteltje warm water bij.

‘Ja, je wist niet beter in die tijd’

“Onze huiskamer had een piepklein zijkamertje en een gangetje met de slaapkamer van mijn ouders en daarnaast was nog de keuken. Ida’s kamertje was in het midden. Daar sliep ze. Het allerkleinste kamertje was voor Ida’s broer, die zes jaar ouder was. Er stond een opklapbed, dat elke avond moest worden neergelaten en dan was de kamer helemaal vol. Hij had een leren riem gemaakt om de deken vast te houden als het bed opgeklapt werd. Ida’s kamer was iets groter, maar zoals in die tijd gebruikelijk heel sober ingericht. “Je sliep er alleen of heel af en toe speelde ik er met poppen. Ja, je wist niet beter in die tijd.”

De kleine Ida had veel fantasie. Zo lagen er in de portiekjes in de straat leuke geelbruine tegeltjes op de grond. Dat waren in haar fantasie allemaal kleine kamertjes en daar zat ze in en daar zat ze te kletsen met vriendinnetjes. Daar kon je Ida altijd vinden, maar als ze daar eens niet was, dan speelde ze binnen, op het tapijt van haar ouders. Daarin zaten van die gekleurde motieven. De blauwe waren water en de rode stelden de huizen voor. “We konden onze fantasie er helemaal op uitleven. Geweldig was dat!” Maar vader Staat was timmerman en die had een rode auto van hout gemaakt voor de poppen en bankjes en stoeltjes. “Wat vonden wij dat leuk. Zodanig dat de moeder van mijn vriendinnetje die houten maaksels van vader, namaakte van karton. Met kraaltjes aan de deurtjes. Kon ik dat nog maar eens bekijken, het was zo vindingrijk.” De poppen van toen waren niet zo mooi als nu. “Heel armoedig. Zelf in elkaar gefrutselde dingen en ik had zelfs een pop van karton, die een mutsje van stof had en dat was het!” Er was echter één pop die heel mooi was. Dat was een pop met een porseleinen kop en met echt haar. “Die pop was van joodse mensen geweest, met van die donkere ogen erin en echt haar van dat kind. Die hebben ze doorverkocht toen die mensen niet meer terugkwamen…” Maar dat drong niet tot de kleine Ida door. “Gelukkig niet, anders had ik die pop niet willen hebben.”

Ida was erg jong toen de oorlog begon. Haar herinneringen komen uit het begin van de oorlog. Ze ging naar een hele grote school die in tweeën was gedeeld: links was de Rooms-katholieke school en rechts de Christelijke. Er waren niet veel kinderen in de klas, er werden zoveel mensen opgepakt. De leraren die er waren, waren sterk vermagerd. Iedereen die voor de klas kon staan mocht leraar worden. “Maar het was meer oppassen dan lesgeven”, zegt Ida. De leraren waren niet de enigen die ondervoed waren, er stierven in Amsterdam op straat mensen van de honger.

‘Je wist niet waar je naar toe ging en ook niet hoe lang je wegbleef’

Ida laat er niet veel over los. Wel weet ze nog dat ze door het Rode Kruis naar de boeren gebracht werd, omdat ze zo sterk vermagerd was. Ze ging naar Berkhout in een grote auto, na een lange reis in het donker. “Je zou je kind maar moeten wegbrengen”, zegt Ida huiverend. “Je wist niet waar je naar toe ging en ook niet hoe lang je wegbleef.” In het dorp Berkhout werden de kinderen verdeeld over verschillende gastgezinnen. Ida kwam bij een gezin terecht met twee kinderen van haar eigen leeftijd: een jongen en een meisje. “Ik heb nog steeds contact met het meisje”, zegt Ida. Maar de kleine Ida was destijds zo sterk vermagerd dat haar maag haast geen eten meer aankon. Het eerste wat ze kreeg was een beker melk, maar dát was al teveel voor haar. “Die melk kwam er zo in één grote boog weer uit.” Daar moest een oplossing voor gevonden worden, en die werd gevonden: de melk werd steeds een beetje verdund met water.

Ida sterkte aan op de boerderij met veel dieren en andere kinderen. “Ik vond het er wel leuk. We speelden er met z’n allen en er was eten. We beseften niet dat dát zo’n voorrecht was. Er was ook een grote hooiberg, waar ik dolgraag in klom en dan bovenin ging zitten”. Of ze rolde er vanaf. Ida beseft dat haar verblijf in Berkhout haar redding is geweest: “Anders was ik gewoon dood gegaan.”

Berkhout ligt een half uurtje rijden van Amsterdam, althans… met de auto. “Maar toen de oorlog afgelopen was mocht mijn vader mij komen halen en dat deed hij met de fiets. Ik kreeg een hondje mee. Ze hadden nestjes vol puppy’s en al die kinderen namen wel een hondje mee.” Dus vader op de fiets, Ida achterop met het hondje in haar armen, maar dat was geen doen. Hij is nog wel mee naar huis gegaan, maar moeder wilde absoluut geen hond, dus belandde het beestje bij de buren. “De buren hebben hem Robbie genoemd.”

‘Maar dit meisje is ook geworden wat ze wilde, ik werd kleuterleidster’

Na de oorlog pakte de familie Staat het leven weer op. Ida was zeven jaar, haar broer dertien. Hij ging naar de HBS en later werd hij vliegenier bij Schiphol. De luchthaven had een advertentie gezet om vliegeniers op te leiden. Vader werkte zich later bij de NDSM (Nederlandse Dok- en Scheepsbouw Maatschappij) op tot een hoge positie als leermeester. En Ida? Die ontpopte zich tot een eigenzinnig meisje die heel goed wist wat ze wilde. Ze wilde kleuterleidster worden. Moeder wilde dat ze naar de huishoudschool zou gaan, maar Ida zelf wilde ook, net als haar broer, naar de HBS of naar het Gymnasium. Dat was in die tijd zo: jongens gingen wat leren en meisjes gingen naar de huishoudschool. “Maar dit meisje is ook geworden wat ze wilde”, zegt Ida met trots. “Ik werd kleuterleidster”.

In de vijftiger jaren stond Ida bekend als een betrouwbaar, rustig persoon. “Ik had een vriendin, Annemarie, die wilde graag samen met haar vriend op vakantie. Maar Annemarie mocht niet van haar moeder met een vriend op vakantie. In die tijd hoorde dat niet. Het mocht van haar moeder wel als ik ook meeging!” Ida had dat niet eens aan haar ouders gevraagd. Nee, ze zei gewoon dat ze met Annemarie op vakantie ging. “Ik was nogal eigenwijs. Ik vond het heel normaal en mijn ouders wilden alleen Annemarie even zien, en toen was het goed.” En zo gingen ze met een volgepakte auto met kampeerspullen, naar Duitsland. De meiden sliepen bij elkaar in de tent, maar vriendlief moest in een eigen tent. Maar… er ging nóg iemand mee. Ida lacht: ”Het eerste wat me aan hem opviel was dat hij zulke kleine voetjes had!”

‘Een eigen huis, een eigen voordeur… met niemand iets te maken’

Maar later is het toch wat tussen hen geworden. “Hij heette Johan, maar werd Joop genoemd, zoals alle Johans Joop werden genoemd.” Het duurde wel even voordat de vonk oversloeg, maar uiteindelijk gebeurde dat wel. “We hadden geen haast. We gingen eerst sparen voor een uitzet. Je moest twaalf lakens hebben en twaalf slopen, zo ging dat toen.” Maar de moeder van Ida had in de Albert Cuypstraat een achterwoning op de vierde verdieping voor haar dochter geregeld via haar huisbaas. Ook in die tijd was het krijgen van een woning heel lastig en alleen ergens wonen was onbehoorlijk. Dus moesten Ida en Joop wel trouwen en dat deden ze in 1960. “Nooit spijt van gehad”, zegt Ida. “Eigenlijk hadden we ons voorgenomen om drie jaar later te trouwen omdat we ons uitzet niet voor elkaar hadden, maar in feite is dat onzin. Toch?” Ze waren daar op de Albert Cuypstraat doodgelukkig. Ze noemt het zelfs de gelukkigste tijd van haar leven. “Een eigen huis, een eigen voordeur… met niemand iets te maken. Heerlijk!” Haar man had een kantoorbaan in de Bickerstraat. In die tijd moesten vrouwen die gingen trouwen, stoppen met werken. “Maar in het onderwijs was dat gelukkig niet zo. Er was grote vraag naar leerkrachten, dus mocht ik ook doorgaan.”

Ida deed de huishouding, haar boodschappen en de dagelijkse dingen. Veel contact met de buren had ze niet. Zo af en toe als buurvrouw even haar hoofd uit het raam stak en Ida ook, dan praatten ze wat met elkaar, maar niet veel. Ida vermaakte zich als kind al in haar eentje, en hier lukte dat ook prima. Ze was met haar man en haar kindje domweg gelukkig in de Albert Cuypstraat.

De podcastaflevering over Ida is vanaf 24 september te beluisteren in de serie ‘Bij Ons in Amsterdam’, te vinden op alle bekende podcastplatforms (Spotify, Apple Podcasts, Podimo) of via https://podcasters.spotify.com/pod/show/bijonsinamsterdam

Barbara van Wijk

Meer nieuws uit Amsterdam-Noord?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: