
LANDSMEER - Voor Karel Bakker (79) en Herman Bakker (84) uit Landsmeer (geen familie) lonkte begin jaren zestig van de vorige eeuw het avontuur. Beiden voeren, samen met nog drie dorpsgenoten, met walvisfabrieksschip de Willem Barendsz naar Antarctica. De een als kapper, de ander als ‘handlanger’ (matroos). Ze hadden het niet willen missen.
Nu zou de jacht op walvissen een stroom aan protesten genereren en Greenpeace zou vast een zeker met bootjes tussen de ijsschotsen ronddobberen om de walvissen te beschermen. Ook Herman Bakker en Karel Bakker houden er nu dezelfde mening op na: laat die beesten lekker zwemmen, laat ze met rust. Maar rond 1960 waren het andere tijden.
Naar Kaapstad
De walvisvaart liep op zijn eind, maar nog altijd koos de Willem Barendsz het ruime sop naar de ijzige oorden waar de walvissen rondzwommen. Eerst naar Curaçao om olie te tanken, daarna naar Kaapstad om Zuid-Afrikaanse bemanningsleden aan boord te halen en vervolgens ging het richting Antarctica.
Een walvis die met kleinere jachtschepen was gedood en buitgemaakt werd met een kloeke tang om de staart aan dek hesen en daar kon het werk beginnen. Het kolossale lijf werd in stukken en repen gesneden en alles – op de ingewanden na – werd gescheiden, want het kon allemaal worden gebruikt: het vet, de olie en de beenderen. Missie volbracht en hup, via de omgekeerde route terug naar huis.
Kapper aan boord
Karel Bakker kon het hele proces via een patrijspoort volgen. Hij was kapper aan boord en beheerde op de achtersteven – op ‘de poep’- zijn ‘kapsalon’. De bemanning was immers zeven maanden van huis – van oktober tot en met mei, voordat het echt veel te koud werd - en dan wil je op een zeker moment wel even je haar en baard laten knippen; niet per se in een modieuze coupe, maar gewoon een stuk korter. Dat gold overigens niet voor iedereen. Veel bemanningsleden lieten hun haar en baard groeien en namen gaandeweg het uiterlijk van een zwerver aan. Het maakte Karel niet uit; van iedereen werd per maand 35 cent op het salaris ingehouden voor de kapper en dat geld ontving hij dus toch wel.
Het avontuur lonkte
Maar wat heeft hem gedreven om aan de walvisvaart deel te nemen? “Het avontuur", luidt het antwoord. “Ik was achttien jaar, was kapper en hoorde van twee maatjes uit Landsmeer die al waren meegevaren dat de kapper van de Willem Barendsz wegging. ‘Je moet snel solliciteren’, zeiden ze. Dat heb ik gedaan en ik was net even eerder dan een andere Landsmeerder die dit ook wilde.” En zo mocht hij in 1962/1963 mee, en het werd de laatste reis van de Willem Barendsz.
Twaalf uur op, twaalf uur af
Herman Bakker was er als ook bij en voor hem was het de tweede vaartocht. “Normaal begon je op het schip als poetser, maar ik werd tweede handlanger. Ik bediende de machines; twaalf uur op, twaalf uur af. Daarnaast was ik assistent van de scheepsarts. Ik had een ULO-opleiding achter de rug, in tegenstalling tot de meeste anderen die van de Ambachtsschool kwamen, en kon mooi schrijven. Ik schreef voor elke patiënt de diagnose op. Maar het betekende wel dat ik als enige niet van boord mocht als we bij Curaçao en Kaapstad aanmeerden.”
Massaal zonnen op het dek
Erg veel vertier was er aan boord niet. Behalve dan dat er zo nu een dan films werden gedraaid en je in een klein winkeltje wat spullen kon kopen. Als het warm was, had de boot iets weg van een cruiseschip; dan lagen de bemanningsleden massaal te zonnen op het dek. De meesten keerden dan ook terug in Nederland met een gebruind lijf alsof ze een halfjaar op de Bahama’s hadden doorgebracht.
Spannend kon het ook zijn. Herman: “De roaring forties’. In Antarctica kwamen verschillende zeestromen bij elkaar en dan kon het enorm stormen; er kwamen soms golven van dertig meter hoog op ons af. Alles op het schip kraakte. De hele ploeg moest dan naar beneden. De jachtboten gingen in het drijfijs liggen; de golven braken daarop stuk.”
Het was meteen de laatste vaartocht. De walvispopulatie raakte uitgedund en bovendien waren hun vetten niet meer nodig voor bijvoorbeeld cosmetische toepassingen.
Aanlokkelijk aanbod
Eenmaal voorgoed op vaste bodem heeft Karel Bakker diverse banen gehad – maar niet als kapper. Herman is in Duitsland machines gaan updaten. Gevaren hebben ze niet meer. Wel had het weinig gescheeld of Herman was aan boord van een tanker gestapt. Hij had een aanlokkelijk aanbod binnen dat hij nauwelijks kon weerstaan. Maar hij had net verkering met Lenie. En die sprak de historische woorden: ‘Als je gaat, is de verkering over’. Dezelfde avond stond Herman met zijn motor bij haar voor de deur. Hij ging niet met met de tanker.






Meer nieuws uit Landsmeer?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie