Provinciaal ganzenbeleid: in Noord-Holland 110.000 ganzen afschieten

NOORD-HOLLAND – De provincie Noord-Holland wil het komende jaar 110.000 ganzen laten afschieten om schade aan landbouw en natuur te beperken. Het besluit leidt tot stevige discussie. Waar jagers spreken van noodzakelijk beheer, betwijfelen dierenorganisaties het nut én de rechtmatigheid. Tussen die standpunten groeit ook de vraag: is er een middenweg mogelijk?
In Noord-Holland leidt het aantal ganzen volgens de provincie tot schade aan landbouwgewassen en tot druk op natuurgebieden. Boeren zien hun graslanden aangetast, en de provincie keert jaarlijks miljoenen euro’s uit aan schadevergoedingen. Volgens jager Jasper Holla uit Oostwoud is ingrijpen onvermijdelijk. “Als je van dieren houdt, moet je er ook voor zorgen dat er niet te veel komen. Alles wat te veel is, drukt iets anders weg”, zegt hij. De jager ziet het beheer van dierenpopulaties als een taak die bij de mens is komen te liggen. “We richten het landschap zo in dat sommige soorten het heel goed doen. Dan moet je ook verantwoordelijkheid nemen.” Holla wijst op de praktijk in het veld. Ganzen kiezen volgens hem steeds slimmere plekken uit waar ze moeilijk te verjagen zijn, zoals langs snelwegen of dicht bij bebouwing. “Die beesten passen zich aan. Ze gaan naar plekken waar andere dieren en mensen ze zo min mogelijk storen. Dat maakt het beheer complex.”
Kritiek op beleid
Aan de andere kant staat de Faunabescherming, die het beleid fundamenteel bekritiseert. Woordvoerder Harm Niesen stelt dat mensen het probleem anders moeten benaderden. “Wij zien dit niet als een ganzenprobleem, maar als een gevolg van hoe wij het landschap inrichten”, zegt hij. Volgens hem ontbreekt overtuigend wetenschappelijk bewijs dat grootschalig afschot leidt tot een structurele afname van ganzenpopulaties. Hij verwijst daarbij naar onderzoek van onder meer de Universiteit van Wageningen, waaruit blijkt dat populaties zich snel herstellen en dat afschot daardoor vooral een tijdelijk effect heeft. Niesen wijst er op dat er geen onderzoek is dat het afschieten van de dieren als oplossing van het probleem aantoont. Daarnaast wijst Niesen op de bredere gevolgen van jacht. “Afschot is niet alleen een maatregel op papier, dieren en het gebied zelf, ervaren de impact ervan. Het zorgt voor verstoring en onrust in de natuur.” Volgens de Faunabescherming zou het beleid zich meer moeten richten op de oorzaken.“ Ganzen komen af op voedselrijk grasland dat wij zelf creëren. Zolang dat aantrekkelijk blijft, blijf het probleem.”
Praktijk en haalbaarheid
De tegenstelling lijkt groot, maar in de praktijk ligt het genuanceerder. Ook Holla erkent dat afschot geen wondermiddel is. “Je gaat dit niet in één keer oplossen. Het is een complex verhaal waar veel tijd en inzet voor nodig is.” In de praktijk zijn de effecten van ganzen bovendien niet altijd voorspelbaar. Holla wijst erop dat juist een biologische boer in zijn jachtgebied de meeste schade ervaart. “De wat armere, kruidenrijke graslanden bezoeken ganzen graag”, zegt hij. Daarmee raakt het vraagstuk ook aan een breder dilemma. Minder eiwitrijk grasland kan de aantrekkelijkheid voor ganzen verminderen, maar gaat volgens hem ten koste van de melk- en kaasproductie. Volgens Holla verschuift de schade bovendien wanneer omstandigheden veranderen. Ganzen wijken dan uit naar andere voedselbronnen die nu al onder druk staan, zoals jong riet, graszaadgewassen en vollegrondsgroenten.
Tegelijkertijd ziet hij beperkingen bij alternatieven zoals verjagen. “Dat kost veel tijd en coördinatie. En vaak verschuift het probleem alleen maar: dan zitten ze een paar kilometer verderop.” Waar Niesen vooral kijkt naar structurele veranderingen in het landschap, kijkt Holla naar wat er op korte termijn uitvoerbaar is. Dat verschil in perspectief, lange termijn versus directe praktijk, speelt een belangrijke rol in het debat. Ondanks hun verschillen vertonen beide partijen overeenkomsten.
Zowel jagers als dierenbeschermers erkennen dat het huidige systeem niet optimaal werkt. Ook delen ze de zorg over de complexiteit van natuurbeheer in een dichtbevolkt land als Nederland. Holla werkt daarbij samen met lokale organisaties, zoals de boerenlandvogelvereniging, weidevogelvereniging ANV HN (Benningbroek) en roofvogelopvang Wings of Change (Andijk) om leefgebieden te verbeteren. “In feite heb je allemaal hetzelfde belang”, zegt hij.
Zowel jagers als natuurorganisaties streven naar een gezond ecosysteem, maar verschillen van mening over de weg ernaartoe.







Meer nieuws uit Medemblik?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie