Op de pijp met... Klaas Raaphorst

Algemeen
Afbeelding
(Foto: )

Even pauze. Even op de pijp. Bakkie doen, praatje maken. Met en over bijzondere Westlanders. Westlanders met een verhaal. Over Westlandse waarden, en over heden, verleden en toekomst. Deze keer praten we met: Klaas Raaphorst. 

Tekst: Esdor van Elten / Foto’s: Ton van Zeijl

Klaas Raaphorst (71), werkte zijn hele leven in de tuin. Overwon een handicap en maakte moeilijke tijden mee door het verlies van zijn vrouw en zijn zoon. Toch is hij nooit bij de pakken neer gaan zitten: “Je hebt alleen jezelf ermee als je in de put blijft zitten,” Klaas is weduwnaar van Lida van der Ende en heeft nog een dochter en een kleinkind. Hij woont in Naaldwijk.

Waar kom je vandaan? 

Ik ben geboren op een zolder aan de Heulweg. De oudste van zeven in een echte Heulse familie. Mijn vader teelde tomaten en tuinde aan de Bovendijk en daar woonden we ook. Dat was echt het buitengebied. De eerste acht jaar moesten we het zelfs zonder drinkwaterleiding doen. We vingen via de kassen het regenwater op, dat werd geleid via een goot naar een grindput. Via de grindput ging het naar twee grote putten in de voortuin. In de zomer stonden die putten vaak droog en dan moest er een tankwagen komen om ze te vullen. Ik heb een hoop ontwikkelingen in de tuinbouw meegemaakt. Toen ik klein was werd er in het Westland nog op kolen gestookt. Later werd dat olie. Dat was echt desastreus voor het milieu. In die tijd zag je nergens meer kikkers of blauwe reigers in de polder. Die kwamen pas weer terug toen de tuinders overstapten op gas.

Wilde jij ook tuinder worden? 

Onze huisarts adviseerde me om niet de tuin in te gaan vanwege een slechte rug. Mijn vader heeft ook nooit gezegd dat ik tuinder moest worden, al was het in die tijd wel de gewoonte dat de oudste zoon het bedrijf overnam. Toch deed ik na de Andreasschool eerst de lagere tuinbouwschool aan de Rozemarijn. Ik liep stage bij Wim ten Have, de eerste potplantenteler van het Westland, en bleef na mijn stage bij hem werken voor 1 gulden 25 per uur. Dat was een prima loon in die tijd. In de vierde klas van de lagere tuinbouwschool ben ik gestart met de avondmiddenstand. De avondmiddenstand overlapte de laatste klas van mijn lagere en de eerste klas van mijn middelbare tuinbouwschool. Op de middelbare tuinbouwschool kregen we het eerste jaar les op zes verschillende locaties, dus ik reed op m’n brommertje heel Naaldwijk door. Later werd dit een vaste school in De Lier. Na die opleiding probeerde ik het eerst buiten de tuin. Ik kreeg een baan op een boekhoudbureau. Dat heb ik maar twee jaar volgehouden. De muren kwamen op me af.


Je bent toch meer een buitenmens? 

Ja, al was het zeker niet nutteloos hoor. Ik heb er veel geleerd, met name over bedrijfseconomisch boekhouden. Ik ging in eerste instantie weer bij mijn vader werken, maar we bleken toch echt heel verschillende ideeën te hebben over de bedrijfsvoering. Ik was ook niet zo zakelijk als mijn jongere broer, dus hij kwam voor mij in de plaats. We konden wel op het land van mijn vader een huis bouwen. Daar hebben we ruim 43 jaar gewoond.

Toch in de tuin gebleven? 

Ja. Eerst bij Kees de Lange, in de chrysantenstek. Ik had zo’n goede neus, ik kon letterlijk ruiken welke soort chrysant er stond. Later werkte ik bij Joop Helderman in de tomaten. Prima bedrijf, maar ik had niet zoveel collega’s. Ik wilde naar een bedrijf met meer collega’s, zodat ik ook meer zou kunnen praten.

Meer praten? Waarom wilde je dat? 

Ik heb dertig jaar enorm gestotterd. Dat had misschien te maken met de geboorte van mijn zusje, die het Syndroom van Down had. In ieder geval zorgde dat stotteren ervoor dat ik stil en enigszins teruggetrokken was.

Lijkt me lastig… 

Dat ìs ook lastig. Je voelt je dan niet prettig in gezelschap. Al leer je er wel mee omgaan. Ik had op middelbare tuinbouwschool een leraar, ingenieur van Stekelenburg. Hij stotterde ook en van hem leerde ik allerlei foefjes om het stotteren te verdoezelen. Creatief met woorden zijn. Maar het blijft natuurlijk een grote handicap. Ik heb er veel therapieën voor gevolgd en het is uiteindelijk goed gekomen. Iemand die nu met mij praat merkt er nauwelijks nog iets van. Maar het verschil is enorm. Mijn wereld is echt groter geworden sinds ik niet meer stotter.

Maar je wilde dus meer oefenen op het werk…

Ja. Daarom ging ik bij Vollebregt werken. En dat ging prima. Toch stapte ik na verloop van tijd over naar Wim van Schie. Een tuinder aan de Molenbroeklaan in Honselersdijk. Hij had eerst anjers, later potlelies. Met een korte tussenpoos van zeven jaar dat ik even bij mijn broer werkte, heb ik jarenlang bij Wim van Schie gewerkt, tot het daar allemaal te groot werd. Ik stond het merendeel van de week bij de oppotmachine en dat vond ik niks. Ik ben toen in goed overleg daar gestopt en overgestapt naar de gebroeders Nederpel. Dat waren Loosduiners die in de potplanten zaten. Daar heb ik de jaren tot mijn pensioen volgemaakt.

Je was een echt kind van de jaren ‘60? 

Compleet met Puch en lang haar. Een mooie tijd. Zo ben ik met de jongens van de Bovendijk, onder wie Cok van Paassen, op de puch naar Limburg gereden. Daarnaast ben ik metde jongens van Van Luijk, waarvan één later aubergineteler werd, nog naar het concert van de Rolling Stones geweest. Ik was ook de eerste jongen bij de VJV, het Vormingscentrm Jong Volwassenen Westland, de voorloper van Dario Fo. Je kon er onder andere yoga doen en toneel.

Is toneel niet lastig als je stottert? 

Ja. Maar mijn mimiek was goed dus uiteindelijk ging het wel.

Waarom ging je na 43 jaar weg uit Wateringen? 

Ik wilde een nieuw leven opbouwen na een aantal heftige jaren. In 2007 overleed mijn vrouw aan kanker. We zijn 33 jaar getrouwd geweest. In 2010 overleed mijn zoon na een verkeersongeluk.


V.l.n.r. Lida, Klaas, Claudia en Maikel Raaphorst.

Dat is moeilijk… 

Enorm zwaar. Ik ben gelukkig goed opgevangen door familie, buren, vrienden en mijn werk. En toch proberen door te gaan. Ik wilde niet in het verleden blijven hangen. Je hebt alleen jezelf er maar mee als je in de put blijft zitten. Maar daar had ik dan wel een nieuwe omgeving voor nodig. Dus na mijn pensioen besloot ik naar Rijswijk te verhuizen.

Da’s wel een heel andere omgeving… 

Van een huis met duizend vierkante meter grond naar een appartement vijf hoog achter. Dat was zeker een cultuurschok. Het eerste half jaar was lastig, maar je leert daar ook weer mensen kennen, waar je je ook weer nuttig voor kunt maken. Inmiddels ben ik wel weer terug in Westland. Ik woon sinds kort in Naaldwijk. Met een buurvrouw uit Rijswijk heb ik nog steeds contact. We komen wekelijks bij elkaar. Ik ben een soort vader voor haar.

En wat doe je nu zoal de week door? 

Ik sportte vroeger veel; zo heb ik 40 halve marathons gelopen, was ik lid van Olympus ’70, zat ik in de lopersgroep Martien van Marrewijk en heb ik 26 jaar gehandbald bij Quintus. Ik fiets en wandel nog steeds graag. Inmiddels heb ik het halve Pieterpad al gelopen. Op dit moment ben ik actief in de onderhoudsploeg van de jeu de boules in Delft. Ook bridge ik twee keer in de week, een complex spel waarmee je je hoofd scherp houdt. Het leuke van bridge is dat het een internationaal spel is. Klaverjassen kennen ze alleen in Nederland en België, bridgen doen ze in de hele wereld. Verder maak ik graag cryptogrammen. Al van jongs af aan. Ik vind het leuk om zo op een creatieve manier met woorden bezig te zijn. En dan zing ik ook nog in het Westlandse smartlappenkoor De Waterlanders. Verder kom ik geregeld bij mijn dochter en ga ik graag met mijn kleindochter mee naar paardrijden. Ik ben nog actief zat en zolang ik nog gezond ben, blijft dat zo.

Afbeelding

Meer nieuws uit Westland?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: