Een Westlander als oorlogsmisdadiger?

Dit is het verhaal van een jonge Westlander die tijdens de oorlog meerdere rollen vervulde: dappere soldaat, kleine crimineel, gevangene, (Ober)kapo - en volgens medegevangenen uiteindelijk een hardvochtige dader.
Door Philip van den Berg
Van frontsoldaat naar gevangene
Rien groeide op in een gezin met vijf kinderen, dat zich eerst in Naaldwijk en later in Monster vestigde. Het was een tijd waarin hard werken vanzelfsprekend was en toekomstperspectieven niet altijd zeker. Na de lagere school ging hij aan het werk, totdat hij op zijn achttiende werd opgeroepen voor militaire dienst.
Mobilisatie en de meidagen
In de jaren dertig diende Rien bij het 2e Regiment Huzaren-Motorrijders. Na de mobilisatie van augustus 1939 werd hij gestationeerd in Breda. Toen op 10 mei 1940 de Duitse inval begon, bevond zijn eenheid zich in Noord-Brabant, waar al snel zwaar werd gevochten. Bij de Peel-Raamstelling, onder meer rond Mill, probeerden Nederlandse troepen de Duitse opmars richting de Moerdijkbrug en Rotterdam tegen te houden.
In die chaotische dagen, waarin veel onzeker was, moest snel worden gehandeld. Tijdens deze gevechten onderscheidde Rien zich als korporaal. Onder vijandelijk vuur zorgde hij voor de aanvoer van munitie en bracht hij berichten over tussen stellingen. In een verslag uit 1948 werd zijn optreden door wapenbroeders omschreven als ‘zeer flink’ en ‘zeer moedig, daar er hevig vijandelijk vuur in de omgeving was.’ Kortom, korporaal Rien handelde onder moeilijke omstandigheden.
Na de doorbraak van de Duitse troepen trok zijn regiment zich terug via onder meer Breda en Gorinchem. Uiteindelijk bevond de eenheid zich in Schoonhoven toen Nederland capituleerde. Daarmee kwam er abrupt een einde aan de strijd — maar niet aan de gevolgen.
Zwarthandel
Kort daarna werd het regiment opgeheven en keerde Rien terug naar het Westland. Daar begon een nieuwe fase, in een land dat inmiddels bezet was en waarin het dagelijks leven snel veranderde. In de eerste oorlogsjaren werkte hij als arbeider, maar al snel raakte Rien betrokken bij de handel in distributiebonnen. Hij werd verdacht van betrokkenheid bij de inbraak in het distributiekantoor in juni 1941, gevestigd in de openbare school van zijn woonplaats. Daarnaast werkte hij samen met anderen uit de regio, onder meer uit Den Haag, Loosduinen en Rijswijk. In een tijd van schaarste en onzekerheid zochten veel mensen naar manieren om rond te komen — soms buiten de regels om.
Op 21 juli 1941 werd Rien gearresteerd, samen met een aantal andere zwarthandelaren. Uit het onderzoek door de politie bleek dat hij betrokken was bij de handel in grote hoeveelheden distributiebonnen. Zo verkocht hij onder meer tienduizenden petroleum- en kolenbonnen en honderden textielbonnen. Daarmee verdiende hij meer dan 3.000 gulden.
In oktober 1941 werd Rien veroordeeld door de Economische rechtbank in Den Haag tot een gevangenisstraf van drie jaar. Daarbij woog mee dat hij aanzienlijke bedragen had verdiend met de zwarthandel. Waar hij zijn straf precies uitzat, is niet volledig duidelijk.
Wel staat vast dat Rien in juni 1942 werd overgebracht naar kamp Erika.
Kamp Erika: de omslag
Strafkamp Erika bij Ommen behoort tot de minder bekende kampen uit de bezettingsjaren. Waar namen als Vught en Westerbork bij veel Nederlanders bekend zijn, bleef deze plek lange tijd buiten beeld. Toch speelde zich hier een harde werkelijkheid af, waarin regels, macht en geweld nauw met elkaar verweven waren.
Het terrein waarop het kamp werd ingericht, bestond al vóór de oorlog en had oorspronkelijk een religieuze bestemming. Na de Duitse bezetting veranderde dat ingrijpend. In 1941 werd het terrein omgevormd tot kamp en vanaf de zomer van 1942 kreeg het de functie van strafkamp voor onder meer zwarthandelaren, werkweigeraars en overtreders van de distributiewet.
Verraad en geweld
In juni 1942 arriveerden de eerste gevangenen. Onder hen bevond zich ook Rien. Het kamp stond onder leiding van de Duitse commandant Werner Schwier en de Nederlandse collaborateur Karel L. Diepgrond. Onder hun gezag heerste een streng en vaak gewelddadig regime, waarin willekeur geen uitzondering was.
Kort na zijn aankomst maakte Rien de opmerking dat ontsnappen uit het kamp niet onmogelijk zou zijn. In een omgeving waar wantrouwen en controle centraal stonden, kon zo’n uitspraak grote gevolgen hebben. Hij werd verraden door een medegevangene en belandde in een strafmaatregel die bekendstond als ‘de put’.
Deze straf hield in dat gevangenen onder zware omstandigheden werden geïsoleerd. Ook Rien moest een kuil graven, waarin hij vervolgens dagenlang verbleef, met minimale voeding, per dag een bekertje water en dagelijks grof geweld en mishandeling. Het was een ervaring die diepe indruk moet hebben gemaakt en zijn verdere rol in het kamp mede bepaalde.
Na deze strafperiode volgde een ingrijpende verandering. Rien werd aangesteld als kapo - een gevangene met toezichthoudende taken. Daarmee bevond hij zich plotseling in een positie tussen gevangene en bewaker, een rol die gepaard ging met verwachtingen en druk.
Toezicht en macht
Uit verklaringen van medegevangenen blijkt dat hij in die rol hard optrad en geweld gebruikte. In ruil daarvoor kreeg hij privileges, zoals extra voedsel en bewegingsvrijheid. Binnen de hiërarchie van het kamp kon hij zo verder opstijgen. Na verloop van tijd werd Rien oberkapo. Daarmee groeide zijn positie binnen het kamp, maar ook zijn reputatie. Onder medegevangenen werd hij gevreesd, en zijn naam werd in verband gebracht met hard optreden.
Wat zich in kamp Erika afspeelde, laat zien hoe onder extreme omstandigheden rollen konden verschuiven — en hoe dun de scheidslijn kon zijn tussen overleven en meewerken aan het systeem. In de zomer van 1943 veranderde de functie van het kamp. Het werd onder meer gebruikt voor studenten die weigerden de loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Veel gevangenen werden overgeplaatst. Ook voor Rien betekende dit het einde van zijn verblijf in kamp Erika.
Een leven tussen vlucht en verantwoording
Na zijn vertrek uit kamp Erika blijft lange tijd onduidelijk waar Rien verbleef. Verschillende verhalen doen de ronde. Zo staat in een dossier dat hij als bewaker werkte in een krijgsgevangenkamp in Duitsland. Rien zelf zegt hierover dat hij tijdens de bevrijding zich bevond in Rotterdam. Wat vaststaat, is dat hij naar Duitsland vluchtte en daar een nieuw bestaan opbouwde.
Na de bevrijding
Opvallend is dat Rien na de oorlog niet werd opgepakt of verhoord door de Politieke Opsporingsdienst (POD). Wel werden in Nederland verklaringen opgenomen van voormalige gevangenen uit kamp Erika. Ondanks de ernst van de beschuldigingen leidde dit niet tot een actief opsporingsbeleid. De prioriteit lag elders, en het grote aantal ‘foute Nederlanders’ maakte vervolging complex en tijdrovend.
Rien vestigde zich uiteindelijk in de deelstaat Sleeswijk-Holstein. Daar trouwde hij met een Duitse vrouw en kreeg hij in 1947 een dochter. Hij zou haar hebben leren kennen tijdens zijn werk als kampbewaker tijdens de oorlog in Duitsland. Tegelijk bleef er een band met het Westland bestaan. In de jaren daarna reisde Rien met enige regelmaat naar het Westland, waar familie woonde. In september 1975 werd hij daar gesignaleerd bij de begrafenis van zijn moeder. Zijn aanwezigheid bleef niet onopgemerkt. De politie nam contact op met het ministerie van Justitie met de vraag hoe te handelen. Tot verbazing van betrokkenen bleek het dossier van Rien op dat moment niet beschikbaar. Hoe dat mogelijk was, bleef onduidelijk.
In de jaren daarna probeerde de politie in het Westland de zaak onder de aandacht te houden. Dat gebeurde in een periode waarin de Nederlandse overheid juist besloot veel oorlogszaken af te bouwen. Eind jaren zestig werden tal van namen van opsporingslijsten gehaald, mede vanwege de naderende verjaring van misdrijven. Vanaf 1971 was vervolging alleen nog mogelijk voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Ondanks die beperkingen wist de politie Rien opnieuw op de opsporingslijst te krijgen. Dat leidde uiteindelijk tot zijn arrestatie.
Op de bewolkte zondagochtend van 17 mei 1986 werd De Rijke bij de grensovergang Denekamp aangehouden door de marechaussee. Hij was onderweg naar familie toen hij werd herkend en gearresteerd. Na jaren van afwezigheid stond hij alsnog oog in oog met justitie.
‘Beul van Ommen’
De rechtszaak die volgde, was omvangrijk. Er werden tientallen getuigen gehoord — uiteindelijk bijna honderd. Toch bleek het moeilijk om een eenduidig beeld te krijgen. Verklaringen spraken elkaar tegen, details waren vervaagd en herinneringen liepen uiteen. „Het beeld was allesbehalve eenduidig” verklaarde een betrokkene later. „Veel herinneringen waren gekleurd door tijd en omstandigheden.” Een belangrijk punt in de zaak was de vraag of Rien tijdens zijn verblijf in kamp Erika handelde in dienst van de Duitse bezetter. De oud-advocaat Jan Sjöcrona die Rien bijstond zegt hierover: „Was hij als kapo of Oberkapo onderdeel van het systeem, of bleef hij juridisch gezien een gevangene?”
De rechtbank oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat hij handelde in staats- of publieke dienst van de vijand. Daarmee verviel de basis voor vervolging wegens oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid.
Daarnaast ontbrak overtuigend bewijs voor specifieke geweldsdelicten. Getuigen spraken elkaar tegen over cruciale details, zoals zijn uiterlijk, zijn rol en zelfs zijn kleding. In het kamp verbleven bovendien meerdere personen met vergelijkbare namen, wat de identificatie bemoeilijkte.
Ook procedurele fouten speelden een rol. Zo bleek de foto-identificatie onbetrouwbaar en ontbraken belangrijke processtukken uit de directe naoorlogse periode. De aanklachten van moord en doodslag werden uiteindelijk ingetrokken.
Na een langdurige procedure, die tot de Hoge Raad reikte, volgde vrijspraak. Niet omdat alle beschuldigingen werden weerlegd, maar omdat juridisch niet kon worden bewezen dat De Rijke als oorlogsmisdadiger had gehandeld. Zoals zijn advocaat later samenvatte: “Het ging niet om de vraag of er geweld had plaatsgevonden, maar of dat juridisch viel onder handelen in dienst van de bezetter.” Dat bleek niet het geval.
Daarmee bleef een ongemakkelijke conclusie overeind. Volgens deskundigen kon De Rijke zowel als slachtoffer als dader worden gezien — een positie die kenmerkend is voor de complexe werkelijkheid van kamp Erika.
Na de rechtszaak keerde De Rijke terug naar Duitsland. Hij overleed op 29 april 1992 in Wedel.
De zaak rond Rien de Rijke laat zien hoe ingewikkeld de beoordeling van het verleden kan zijn. Niet alle verhalen laten zich vangen in duidelijke categorieën van goed en fout. In kamp Erika vervaagden grenzen. Gevangenen kregen macht over anderen, vaak onder dwang en extreme omstandigheden. De vraag waar verantwoordelijkheid begint en ophoudt, blijft moeilijk te beantwoorden. De rechtszaak draaide uiteindelijk niet alleen om wat er gebeurde, maar vooral om wat juridisch bewezen kon worden. Dat verschil - tussen historische werkelijkheid en juridische waarheid - maakt deze zaak tot op de dag van vandaag relevant.
Met dank aan Peter de Zeeuw. Dit artikel verscheen eerder als reeks in Nieuwsblad Westland.





Meer nieuws uit Westland?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie